Een neoadjuvante behandeling met chemo-immunotherapie bij patiënten met T4 en/of N2-3 niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC) geeft een pathologisch complete respons bij 29,0% van de patiënten. Dit blijkt uit een retrospectieve studie waarvan dr. Biagio Ricciuti (Boston, Verenigde Staten) de resultaten besprak tijdens de IASLC 2025 World Conference on Lung Cancer. “Met een mediane eventvrije overleving van 52,6 maanden kan deze behandeling bij bepaalde patiënten met stadium III-NSCLC wellicht een alternatief vormen voor chemo-radiotherapie gevolgd door consolidatie-immunotherapie.”
Patiënten met borderline resectabel of niet-resectabel stadium III-NSCLC gekenmerkt door T4 en/of N2-N3, vormen een uitdaging in de kliniek vanwege uitgebreide lokale invasie en hoge recidiefpercentages, zei Biagio Ricciuti. “Ondanks beperkte gegevens zijn er aanwijzingen dat chemo-immunotherapie zowel de chirurgische resectabiliteit als de pathologische respons bij deze patiënten kan verbeteren. Om het kennishiaat dat hierover bestaat te vullen, hebben we een multicenter, retrospectieve studie uitgevoerd bij patiënten met stadium III-NSCLC (T4 en/of N2-3) die behandeld werden met neoadjuvante chemo-immunotherapie.”1 De primaire uitkomstmaten van dit onderzoek waren het percentage pathologisch complete respons (pCR) en de eventvrije overleving (EFS).
75% voltooide chirurgie
In totaal zijn 112 patiënten geïncludeerd. Het objectieve responspercentage in het gehele cohort voorafgaand aan chirurgie was 59,4%. Bij 75% van de patiënten die een inductiebehandeling met chemo-immunotherapie hadden ondergaan, kon de resectie worden voltooid, liet Ricciuti zien. Van deze patiënten had 29% een pCR en 42,2% een major pathologische respons. De EFS in dit cohort was 52,6 maanden. Ricciuti: “Het behalen van een pCR bleek een sterke voorspeller voor de uitkomsten op lange termijn. Bij de patiënten met een pCR was de mediane EFS nog niet bereikt, en zonder pCR was die 27,8 maanden.”
Biomarkers
In deze studie is ook gekeken naar biomarkers die nuttig zouden kunnen zijn bij het selecteren van patiënten voor neoadjuvante chemo-immunotherapie. “We zagen dat een voorgeschiedenis van roken een voorspeller was voor respons”, zei Ricciuti. Van de patiënten die rookten of gerookt hadden, behaalde respectievelijk 44 en 26,6% een pCR, tegenover slechts 7,6% van de patiënten die nooit hadden gerookt. Ook de PD-L1-expressie bleek een sterke voorspeller voor een pCR. 50,0% van de patiënten met een hoge PD-L1-expressie (≥50%) had een pCR. “Het combineren van de tumor mutational burden (TMB) hielp bij het verder stratificeren van deze patiënten”, aldus Riciutti. “44% van de patiënten met zowel een hoge PD-L1-expressie als een hoge TMB behaalde een pCR, terwijl geen van de patiënten met een lage TMB en lage PD-L1-expressie een pCR had. Daarnaast bleek dat geen van de patiënten met zowel een KRAS- als STK11-mutatie een pCR behaalde. Dit gold ook voor patiënten met een gelijktijdige mutatie in KRAS en KEAP1. Van de patiënten met een KRAS-mutatie zonder andere gelijktijdige mutaties had 40 tot 50% een pCR.
Riciutti concludeerde dat neoadjuvante chemo-immunotherapie veelbelovende pCR-percentages en een veelbelovende EFS geeft bij patiënten met T4 en/of N2-3 NSCLC die initieel borderline resectabel of niet-resectabel geacht werden. “Deze resultaten ondersteunen het doen van prospectieve studies naar neoadjuvante chemo-immunotherapie bij deze patiëntengroep”, aldus Ricciuti.
Referentie
1. Ricciuti B, et al. WCLC 2025; abstr MA01.04.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist