Gelijktijdig durvalumab geven tijdens chemoradiatie zorgde niet voor betere uitkomsten bij patiënten met niet-resectabel stadium III niet-kleincellig longcarcinoom, maar ook niet voor meer toxiciteit. Dat blijkt uit de resultaten van de fase 3-EA5181-studie, die prof. dr. John Varlotto (Huntington, Verenigde Staten) presenteerde tijdens de IASLC 2025 World Conference on Lung Cancer.
De huidige behandelstrategie voor patiënten met niet-resectabel stadium III niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC) bestaat uit een combinatie van platinahoudende chemotherapie en radiotherapie gevolgd door consolidatietherapie met durvalumab. In de EA5181-studie werd gekeken of deze behandeling verbeterd kan worden door al met durvalumab te starten tijdens de chemoradiatie.
EA5181-studie
In deze fase 3-studie werden 662 niet eerder behandelde patiënten met niet-resectabel stadium III-NSCLC gerandomiseerd tussen gelijktijdig durvalumab (750 mg elke twee weken) en chemoradiatie (arm A) of alleen chemoradiatie (arm B). In beide armen kregen patiënten die geen progressie of significante toxiciteit vertoonden vervolgens een jaar consolidatietherapie met durvalumab (1.500 mg elke vier weken). De primaire uitkomstmaat was de algehele overleving (OS). De mediane follow-up was 29,9 maanden.
Geen verschil in overleving
In beide armen voltooiden ongeveer evenveel patiënten de behandeling. “Er was absoluut geen verschil in OS (HR 1,03; 95% BI 0,80-1,32)”, meldde John Varlotto.1 De mediane OS was 41,5 maanden in arm A en 39,4 maanden in arm B. Er was ook geen significant verschil in progressievrije overleving (PFS), met een mediaan van 15,5 maanden in arm A en 16,8 maanden in arm B (HR 1,05; 95% BI 0,86-1,29). In subgroepen waren eveneens weinig verschillen zichtbaar, alleen leken patiënten die cisplatine plus pemetrexed als chemotherapie kregen een slechtere OS te hebben wanneer ze gelijktijdig durvalumab kregen. Maar Varlotto wees erop dat de aantallen klein zijn en het betrouwbaarheidsinterval groot.
De onderzoekers zagen geen significante verschillen in het bijwerkingenprofiel. Bijwerkingen van graad 3-4 kwamen voor bij 67,7% van de patiënten in arm A en bij 62,2% in arm B (p=0,16). Ook oesofagitis en pneumonitis kwamen in beide armen ongeveer even vaak voor. Respectievelijk 19,0% en 16,5% van de patiënten in arm A en B stopte met de behandeling vanwege bijwerkingen (p=0,41).
Geen verschil in recidieven of respons
Eerder starten met durvalumab leidde niet tot minder recidieven. Lokale recidieven traden op bij 24,2% van de patiënten in arm A en 22,0% in arm B (p=0,52). Lokale recidieven binnen het bestralingsveld kwamen in beide armen voor bij ongeveer 7% van de patiënten (p=0,65). Ook de responspercentages waren vergelijkbaar in beide armen.
De mogelijkheid om consolidatietherapie te geven werd niet in gevaar gebracht door durvalumab gelijktijdig met chemoradiatie te geven. In beide armen kregen de patiënten mediaan tien cycli durvalumab als consolidatietherapie.
Varlotto concludeerde dat toevoeging van gelijktijdige durvalumab aan chemoradiatie niet leidt tot betere uitkomsten of verandering van recidiefpatronen, maar ook niet tot verhoogde toxiciteit. “In toekomstig onderzoek zullen we kijken naar prognostische markers om te zien wie mogelijk voordeel heeft van intensivering of de-intensivering van de behandeling, en naar factoren die een rol spelen bij lokale en afstandsrecidieven.”
Referentie
1. Varlotto JM, et al. WCLC 2025; abstr PL03.06.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist