Bij patiënten met vroeg-stadium, ALK-positief niet-kleincellig longcarcinoom zorgde adjuvante therapie met crizotinib na chirurgische resectie niet voor verbetering van de ziektevrije overleving. Dat blijkt uit de resultaten van de langlopende E4512-studie, die dr. David Gerber (Dallas, Verenigde Staten) presenteerde tijdens de IASLC 2025 World Conference on Lung Cancer.
De ALK-remmer crizotinib is een goedgekeurde behandeloptie voor gevorderd, ALK-positief niet-kleincellig longcarcinoom (ALK+ NSCLC). In de E4512-studie werd onderzocht of crizotinib ook een rol kan spelen bij vroegere stadia als adjuvante therapie na chirurgische resectie.
E4512-studie
De E4512-studie is onderdeel van het ALCHEMIST-Screen-protocol, waarin patiënten met gereseceerd stadium IIA-IIIB-NSCLC werden gescreend op genetische afwijkingen en op basis daarvan in aanmerking konden komen voor verschillende studies met adjuvante therapie. Patiënten met ALK+ NSCLC werden geïncludeerd in de E4512-studie en 1:1 gerandomiseerd tussen twee jaar adjuvant crizotinib (tweemaal daags 250 mg) of observatie.
Alle patiënten hadden negatieve marges na resectie en waren ALK+ volgens lokale of centrale tests. De patiënten mochten niet eerder behandeld zijn met een ALK-remmer. Adjuvante chemotherapie en postoperatieve bestraling waren wel toegestaan. De primaire uitkomstmaat was de ziektevrije overleving (DFS) van patiënten die volgens de centrale test ALK+ waren.1
Tussen 2014 en 2024 werden 166 patiënten geïncludeerd met ALK+ NSCLC, ongeveer 2% van de meer dan 7.000 patiënten in het ALCHEMIST-Screen-protocol. Daarvan waren 154 patiënten ALK+ volgens centrale tests (93% overeenstemming met lokale tests).
Geen verschil
“Na een mediane follow-up van bijna vijf jaar zien we geen verschil tussen de beide armen van de studie (HR 1,06; p=0,86)”, meldde David Gerber. Er was ook geen significant verschil zichtbaar in subgroepen op basis van geslacht, stadium of postoperatieve bestraling. Op dit moment is er eveneens geen significant verschil in algehele overleving (OS; HR 0,49; p=0,26), maar in beide armen zijn er relatief weinig events geweest en de data zijn nog niet matuur.
In de crizotinibarm ontwikkelde 43% van de patiënten een behandelingsgerelateerde bijwerking van graad 3 of hoger, slechts één daarvan was van graad 4 (beroerte). De bijwerkingen kwamen overeen met het bekende bijwerkingenprofiel van crizotinib. Het meest voorkomend waren diarree, oedeem, oogproblemen, buikpijn, verhoogde ALAT-waarden en tekort aan neutrofielen. 40% van de patiënten voltooide de crizotinibbehandeling volgens protocol, 27% stopte eerder vanwege bijwerkingen.
Geen verandering klinische praktijk
“Adjuvant crizotinib resulteerde niet in verlenging van de DFS of OS (al zijn die data nog niet matuur) ten opzichte van observatie bij gereseceerd ALK+ NSCLC”, concludeerde Gerber.
Discussant dr. Jessica Lin (Boston, Verenigde Staten) merkte op dat de DFS in de observatiearm relatief goed was in vergelijking met andere studies. De samenstelling van de patiëntenpopulatie is mogelijk beïnvloed door de relatief lange periode tussen resectie en randomisatie (vier weken tot elf maanden), en doordat alleen beeldvorming van de longen nodig was voor inclusie. Deze resultaten zullen de huidige klinische praktijk niet veranderen, denkt ze. Inmiddels is een tweede-generatie ALK-remmer, alectinib, beschikbaar gekomen als adjuvante therapie met een betere systemische activiteit en activiteit in de hersenen.
Referentie
1. Gerber DE, et al. WCLC 2025; abstr PL02.18.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist