Uit resultaten van de gerandomiseerde fase 3-HARMONi-studie blijkt dat de toevoeging van ivonescimab aan chemotherapie geassocieerd is met een significant betere progressievrije overleving bij patiënten met progressief, EGFR-gemuteerd, gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom na behandeling met een derdegeneratie EGFR-remmer. De behandeling met ivonescimab plus chemotherapie werd over het algemeen goed verdragen en er werden geen nieuwe veiligheidssignalen gezien. Prof. dr. Jonathan Goldman (Los Angeles, Verenigde Staten) presenteerde deze resultaten tijdens de IASLC 2025 World Conference on Lung Cancer.
Ivonescimab is een bispecifiek antilichaam gericht tegen PD-1 en VEGF.1 In de mondiale, gerandomiseerde, dubbelblinde, placebogecontroleerde fase 3-HARMONi-studie werd de toevoeging van ivonescimab aan chemotherapie onderzocht bij patiënten met progressief, EGFR-gemuteerd, gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC) na behandeling met een derdegeneratie EGFR-remmer. De patiënten werden 1:1 gerandomiseerd naar ivonescimab of placebo, beide in combinatie met pemetrexed plus carboplatine, gevolgd door een onderhoudsbehandeling met pemetrexed plus ivonescimab of pemetrexed plus placebo. De coprimaire uitkomstmaten waren de progressievrije overleving (PFS) en de algehele overleving (OS) bepaald door een onafhankelijke radiologiecommissie.
Betere PFS
In totaal werden 219 patiënten naar elke studiearm toegewezen.2 De meerderheid van de patiënten was vrouw, had een ECOG-prestatiescore van 1 en was niet-roker. Een kwart van de patiënten had hersenmetastasen.
“Na een mediane follow-up 22,3 maanden was de mediane PFS 6,8 maanden in de ivonescimab-arm vergeleken met 4,4 maanden in de placeboarm (HR 0,52; 95% BI 0,41-0,66; p<0,0001). Na zes en twaalf maanden was het percentage patiënten zonder progressieve ziekte ongeveer 20% hoger in de ivonescimab-arm dan in de placeboarm. Vrijwel alle vooraf gedefinieerde subgroepen hadden een PFS-voordeel met ivonescimab plus chemotherapie”, aldus Jonathan Goldman.
Na een mediane follow-up van 29,7 maanden was de mediane OS 16,8 maanden in de ivonescimab-arm versus 14,0 maanden in de placeboarm (HR 0,79; 95% BI 0,62-1,01; p=0,0570, waarbij een p-waarde van kleiner of gelijk aan 0,0448 vereist was voor statistische significantie).
Het objectieve responspercentage was 45% in de ivonescimab-arm vergeleken met 34% in de placeboarm en de responsduur was respectievelijk 7,6 maanden en 4,2 maanden.
Bijwerkingen
Bijwerkingen van graad 3 of hoger kwamen voor bij 50,0% van de patiënten in de ivonescimab-arm en bij 42,2% van de patiënten in de placeboarm. Ernstige bijwerkingen kwamen voor bij respectievelijk 28,0 en 15,1% van de patiënten. In de ivonescimab-arm waren de meest voorkomende bijwerkingen anemie (49,1%), een afname in het aantal witte bloedcellen (45,0%) en een afname in het aantal neutrofielen (42,7%). Immuungerelateerde bijwerkingen kwamen voor bij 33,0% van de patiënten in de ivonescimab-arm en bij 17,9% van de patiënten in de placeboarm. VEGF-gerelateerde bijwerkingen kwamen voor bij respectievelijk 33,5 en 15,1% van de patiënten.
Referenties
1. Zhang Y, et al. Expert Opin Biol Ther 2025;25:1-7.
2. Goldman JW, et al. WCLC 2025; abstr PL02.12.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer