Diagnostische tests zijn onmisbaar voor maatwerk in de behandeling. Internist-oncoloog dr. Carolien Schröder (Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam) schetste tijdens het 22e Bossche Mamma Congres het wankele – en vaak onlogische – pad dat nieuwe tests afleggen tussen laboratorium en kliniek.
Een diagnostische test meet een eigenschap (biomarker) die iets zegt over het ziekteproces of de behandeling daarvan. Carolien Schröder vatte het belang van het meten van biomarkers als volgt simpel samen: zonder biomarkers krijgt iedereen dezelfde behandeling, met biomarkers krijgt iedere patiënt precies de juiste behandeling (op het juiste moment). Geen wonder dus dat er in de laboratoria tal van biomarkers en bijbehorende manieren om die te meten worden ontwikkeld.
Eén procent
Van alle nieuw ontwikkelde tests om een biomarker te meten komt echter slechts 1% uiteindelijk daadwerkelijk in de kliniek terecht, merkte Schröder op. De reden daarvan is dat elke biomarker en test diverse stappen moet doorlopen tussen laboratorium en kliniek. Allereerst de technische validatie (levert de test bij herhaling dezelfde uitkomst op?) gevolgd door de klinische validatie (zegt de test daadwerkelijk iets over de diagnose, prognose of behandelrespons?). Daarna komt echter de grootste hobbel: het aantonen van de klinische utiliteit; het bewijzen dat de patiënt (of de samenleving) er echt iets aan heeft. Leeft de patiënt er langer of met meer kwaliteit van leven door? Bespaart het de maatschappij kosten of middelen?
Geen bewijs
Aan de hand van een aantal voorbeelden liet Schröder vervolgens zien dat in de praktijk met het bewijs van utiliteit niet altijd even zorgvuldig wordt omgegaan en dat de route naar de kliniek niet altijd de regels van de logica volgt. Daarbij wees zij allereerst naar de SERENA-6-studie, waarvan de resultaten tijdens het afgelopen ASCO-congres werden gepresenteerd.1 Net als prof. dr. Gabe Sonke (Antoni van Leeuwenhoek) in een eerdere sessie [zie artikel: Nederland-Duitsland (en de rest van de wereld)], stelde Schröder vast dat deze uitkomsten geen bewijs zijn voor de klinische utiliteit van het op geleide van een ctDNA-test vroegtijdig aanpassen van de behandeling. Invoeren van deze test kan op termijn mogelijk zelfs slechter uitpakken voor de patiënt (en de maatschappij), stelde Schröder.
Geen implementatie
Maar het kan ook andersom: veel bewijs voor klinische utiliteit, maar toch niet in de praktijk geïmplanteerd. Schröder illustreerde dit aan de hand van het gebruik van FDG-PET/CT voor het stadiëren van mammacarcinoom. In diverse studies, waaronder de Nederlandse IMPACT-BREAST-studie, is gebleken dat zowel bij stadium III- als bij stadium IV-mammacarcinoom de sensitiviteit van FDG-PET/CT veel groter is dan die van de botscan/CT-scan.2,3 Dat is van belang voor de patiënt, want patiënten met oligometastasen (in het bot) hebben een betere prognose dan patiënten met meer metastasen. Tegenwoordig worden oligometastasen bovendien curatief behandeld. Maar dan moet je wel de metastasen goed kunnen tellen, en daarvoor moet je FDG-PET/CT gebruiken, stelde Schröder. Desondanks beveelt de ESMO-richtlijn (nog steeds) de botscan/CT-scan aan.
Academische inspanning
Dat brengt Schröder bij de vaststelling dat bij het implementeren van (nieuwe) diagnostische tests de logische route niet altijd wordt bewandeld. De reden daarvan is, volgens haar, dat bij het implementeren van een test meer belangen in het spel zijn dan de klinische utiliteit. Er spelen vaak ook commerciële belangen, dure en langdurige trajecten voor bewijslast, trage richtlijnontwikkelingen, regelgeving, et cetera mee. Waarbij het ontwikkelen van een diagnostische test door onderzoekers vaak ook als ‘minder sexy’ wordt gezien dan het ontwikkelen van een nieuwe behandeling.
Schröder riep daarom op via een gezamenlijke (internationale) academische inspanning de lat voor het ontwikkelen en implementeren van diagnostische tests hoger te leggen. Want commerciële partijen gaan geen test op de markt brengen die patiënten selecteert die niet in aanmerking komen voor een bepaalde behandeling, is haar overtuiging.
Referenties
1. Turner NC, et al. J Clin Oncol 2025;43(17_suppl): abstr LBA4.
2. Groheux D, et al. J Natl Cancer Inst 2012;104:1879-87.
3. Schröder CP, et al. J Clin Oncol 2024;42(16_suppl): abstr 1019.
Dr. Marten Dooper, wetenschapsjournalist
Oncologie Up-to-date 2025 vol 16 nummer 4