Met ingang van 1 januari 2025 is internist-oncoloog prof. dr. An Reyners, hoogleraar Palliatieve Geneeskunde aan het UMC Groningen, benoemd tot voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Medische Oncologie (NVMO). Zij volgt dr. Machteld Wymenga op en is daarmee de tweede vrouwelijke voorzitter (van in totaal acht voorzitters) sinds de oprichting van de NVMO in 1997.
Dat An Reyners afgelopen najaar inging op het aanbod om het voorzitterschap van de NVMO de komende jaren op zich te nemen, had mede te maken met de ervaringen die zij de afgelopen vier jaar opdeed als voorzitter van de NVMO-commissie Beoordeling Oncologische Middelen (CieBOM), vertelt ze. “Door het voorzitterschap van de CieBOM heb ik in ieder geval één dossier al helemaal in de vingers; dat van de dure geneesmiddelen. Daarnaast heb ik als voorzitter van de CieBOM al uit eerste hand mogen ervaren hoe heftig reacties van anderen kunnen zijn op besluiten of standpunten van de NVMO. Die ervaring neem ik nu mee naar mijn positie als voorzitter van de NVMO.”
Voor wie het al is vergeten: in 2023 deed de presentatie van de herziene PASKWIL-criteria flink wat stof opwaaien in het land. Sommige partijen lieten op niet mis te verstane toon weten dat zij het niet eens waren met deze nieuwe criteria. Reyners: “Onze rationele afwegingen, die we vorig jaar overigens ook gepubliceerd hebben in een wetenschappelijk tijdschrift, kwamen te staan tegenover emotionele argumenten over het al dan niet beschikbaar komen van bepaalde oncologische medicijnen. Daar moet je dan mee leren omgaan.”
Nog even haar oude pet van voorzitter van de CieBOM opzettend, constateert Reyners overigens dat het stof rond dit onderwerp inmiddels wel is neergedaald. “We zijn weer on speaking terms met alle partijen. En de eerste ervaringen met de nieuwe PASKWIL-criteria stemmen positief. Zo is onlangs het advies over niraparib als onderhoudsbehandeling na primaire behandeling van het gevorderd epitheliaal ovariumcarcinoom bij een herbeoordeling omgezet in een negatief advies. Hetgeen aansluit bij het gevoel dat de meerwaarde van deze behandeling discutabel was. We zullen als NVMO overigens goed in de gaten blijven houden wat de uitwerking is van de PASKWIL-criteria op de oncologische zorg in Nederland. En als het nodig blijkt zullen de criteria weer worden bijgesteld.”
Concentratie en spreiding van zorg
Een dossier dat de komende jaren ongetwijfeld regelmatig de aandacht van Reyners zal opeisen is de concentratie en spreiding van oncologische zorg. Kort gezegd: welke patiënt wordt behandeld in welk ziekenhuis? Recentelijk zijn hier twee belangrijke documenten over gepubliceerd: het rapport ‘Naar passende oncologische- en vaatchirurgische zorg’ en het document ‘Shared care in de oncologie’.1,2
“Het onderwerp concentratie van zorg speelt binnen de medische oncologie natuurlijk al behoorlijk lang. Het eerste SONCOS-rapport met volumenormen stamt uit 2012. Sinds de totstandkoming van het Integraal Zorgakkoord in 2022 is het proces van concentratie en spreiding van zorg verder versterkt. Het doel daarbij is, kort samengevat, via regionale samenwerking de kwaliteit van de zorg te verhogen en tegelijk de toegang voor patiënten tot de zorg te garanderen.”
De twee genoemde documenten beschrijven respectievelijk volumenormen voor de behandeling van vijf soorten kanker (hoofd-hals-, pancreas-, long-, maag/slokdarm- en nierkanker) en een model voor regionale echelonering van ziekenhuizen. “De opgave waar we de komende tijd voor staan, is de voorgestelde normen en echelonering regionaal te implementeren. En – nog belangrijker eigenlijk – in kaart te brengen wat precies de gevolgen daarvan zijn. Zijn alle voorstellen uitvoerbaar? Wat is de lokale impact van de volumenormen? Zo weten we momenteel niet wat de precieze gevolgen zijn voor een ziekenhuis of voor de samenwerking in het regionale netwerk als je één bouwsteen uit het geheel weghaalt en verplaatst naar elders. Heeft dit wellicht een onverwacht negatief domino-effect? En vanuit het perspectief van de patiënt: wat zijn de gevolgen voor de patiënt als die verder moet reizen? Dat is bij systemische therapie, die soms jaren kan duren, toch ingrijpender dan bij een eenmalige operatieve ingreep. En uiteindelijk willen we natuurlijk ook graag zien dat dit alles het gewenste effect heeft. Dus: leiden deze volumenormen inderdaad tot kwalitatief hoogstaande zorg die voor alle patiënten toegankelijk is binnen een systeem dat toekomstbestendig is?”
Als rol voor de NVMO ziet Reyners hierbij vooral een actieve vorm van monitoring. “We gaan nu aan de slag om structuren op te zetten waarmee we de gevolgen van de concentratie en spreiding van de oncologische zorg zichtbaar kunnen maken. Hoe die structuren er precies gaan uitzien, is nog onderwerp van discussie.”
Capaciteitsvraagstuk
Een hiermee nauw samenhangend dossier is de capaciteit van de oncologische zorg in Nederland. “Het aantal oncologische patiënten zal de komende jaren blijven toenemen, terwijl het aantal zorgverleners vrijwel gelijk blijft. Een andere aanslag op de capaciteit van de oncologische zorgverlening zit in de toename van het aantal MDO’s dat de echelonering van de zorg met zich gaat meebrengen. Immers, hoe meer patiënten doorverwezen worden voor de behandeling of een deel daarvan, des te meer overleg zal er moeten plaatsvinden. Dat kost tijd; tijd die afgaat van de daadwerkelijke zorgverlening aan de patiënt.
Daarnaast is het welslagen van spreiding en concentratie van zorg niet alleen afhankelijk van de capaciteit binnen de ziekenhuizen, maar ook buiten de ziekenhuizen. Patiënten moeten willen én kunnen reizen naar een verder weg gelegen ziekenhuis. De volumenormen zullen naar verwachting met name tot meer verwijzingen gaan leiden in regio’s waar mensen wonen met gemiddeld lagere gezondheidsvaardigheden. We moeten goed monitoren of hier geen onderbehandeling gaat ontstaan doordat mensen afzien van een behandeling in een verder weg gelegen ziekenhuis. Bovendien zijn patiënten die geen eigen vervoer hebben – en ook geen mantelzorger die dit vervoer kan bieden – afhankelijk van een taxi of het openbaar vervoer. En ook daar neemt de krapte aan personeel de komende jaren verder toe, is de verwachting.”
Een bloeiende vereniging
Welke andere dossiers tijdens haar voorzitterschap de aandacht zullen vragen, laat zich nu lastig voorspellen. ‘Events, my dear boy, events’, antwoordde de Britse premier Harold Macmillan ooit toen een verslaggever hem vroeg wat de grootste politieke uitdagingen voor hem waren. Reyners kan zich vinden in die uitspraak. “In de korte tijd dat ik nu voorzitter ben, komen er via mijn mailbox onderwerpen op mijn pad waarvan ik nooit had gedacht dat ik me ermee bezig zou moeten houden. Dus we gaan de komende jaren wel zien met welke hete hangijzers ik te maken krijg. Maar gelukkig doet ik het niet alleen. We zijn een hecht bestuursteam en hebben diverse actieve commissies.
Binnenkort evalueren we of de commissies nog goed zijn toegerust voor hun taken en of er aanleiding is om nieuwe commissies op te richten. Zo is enkele jaren geleden de Commissie Duurzaam- en Doelmatigheid van start gegaan. De betrokkenheid onder de leden blijft gelukkig groot; er is nog steeds veel belangstelling om zitting te nemen in de commissies. Kortom, ik heb veel zin om deze bloeiende vereniging de komende jaren voor te zitten.” Gevraagd naar haar persoonlijke ambities als voorzitter, glimlacht Reyners: “Die heb ik zeker, maar hou die voorlopig nog even voor mezelf.”
Referenties
1. Naar passende oncologische- en vaatchirurgische zorg - Proces naar vaststelling normen tranche 1. Te raadplegen via www.zorginstituutnederland.nl/publicaties/publicatie/2025/03/26/naar-passende-oncologische-en-vaatchirurgische-zorg
2. Shared care in de oncologie. Te raadplegen via www.zorginstituutnederland.nl/binaries/zinl/documenten/publicatie/2025/03/26/bijlagen-bij-toelichting---naar-passende-oncologische-en-vaatchirurgische-zorg/Shared+care.pdf
Dr. Marten Dooper, wetenschapsjournalist
Oncologie Up-to-date 2025 vol 16 nummer 3