Uit de resultaten van de fase 3-IMvigor011-studie blijkt dat ctDNA-gestuurde, adjuvante behandeling met atezolizumab versus placebo na cystectomie geassocieerd is met een significant betere ziektevrije en algehele overleving bij patiënten met spierinvasieve blaaskanker. Daarnaast werd atezolizumab goed verdragen en werden er geen nieuwe veiligheidssignalen geconstateerd, zo bleek uit de presentatie van prof. dr. Thomas Powles (Londen, Verenigd Koninkrijk) tijdens het derde Presidentiële Symposium van het ESMO Congress 2025. De resultaten werden gelijktijdig gepubliceerd in The New England Journal of Medicine.
Er zijn aanwijzingen dat de detectie van meetbare restziekte via circulerend tumor-DNA (ctDNA)-analyses prognostische waarde heeft bij patiënten met spierinvasieve blaaskanker (MIBC) die behandeld zijn met cystectomie.1,2 Daarnaast suggereerden de resultaten van verkennende analyses van de IMvigor010-studie dat ctDNA-positieve patiënten die een cystectomie ondergingen voordeel hadden bij adjuvante behandeling met atezolizumab, terwijl ctDNA-negatieve patiënten dit niet hadden.2,3
IMvigor011-studie
In de wereldwijde, gerandomiseerde fase 3-IMvigor011-studie wordt de uitkomst geëvalueerd van ctDNA-gestuurde, adjuvante behandeling met atezolizumab of placebo bij patiënten met MIBC. Hiertoe worden patiënten met (y)pT2-T4aN0M0 of (y)pT0-T4aN+M0 urotheelcarcinoom van de blaas die in aanmerking komen voor cystectomie elke zes weken getest op de aanwezigheid van ctDNA en elke twaalf weken radiologisch onderzocht. Patiënten die ctDNA-positief zijn, maar radiologisch geen aantoonbare ziekte hebben, worden 2:1 toegewezen aan adjuvante behandeling met atezolizumab of placebo voor maximaal een jaar. Patiënten die gedurende een jaar ctDNA-negatief blijven, krijgen geen adjuvante behandeling, maar worden actief gevolgd. De primaire uitkomstmaat is de door de onderzoekers bepaalde ziektevrije overleving (DFS). De huidige resultaten zijn afkomstig van de primaire analyse.
Betere DFS en OS
Uit de resultaten van de IMvigor011-studie bleek dat na een mediane follow-up van 16,1 maanden na randomisatie de ctDNA-gestuurde, adjuvante behandeling met atezolizumab (n=167) vergeleken met placebo (n=83) geassocieerd was met een significant betere DFS.4,5 “De mediane DFS was 9,9 maanden met atezolizumab versus 4,8 maanden met placebo (HR 0,64; 95% 0,47-0,87; p=0,0047). Daarnaast verbeterde atezolizumab ook de algehele overleving (OS). De mediane OS was 32,8 maanden met atezolizumab vergeleken met 21,1 maanden met placebo (HR 0,59; 95% BI 0,39-0,90; p=0,0131)”, zei Thomas Powles. Verder was atezolizumab versus placebo geassocieerd met een betere DFS en OS bij zowel patiënten die op baseline al ctDNA-positief waren als bij patiënten die bij opvolgende ctDNA-tests positief bleken. Bij patiënten die ctDNA-negatief bleven (n=357) werden de mediane DFS en OS niet gehaald en waren de DFS en OS na 24 maanden respectievelijk 88,4 en 97,1%.
Veiligheidsprofielen
De veiligheidsanalyse liet zien dat behandelingsgerelateerde bijwerkingen (TRAE’s) van graad 3 of 4 voorkwamen bij 7,3% van de patiënten in de atezolizumabgroep versus 3,6% van de patiënten in de placebogroep. Ernstige TRAE’s kwamen voor bij respectievelijk 5,5 en 0% van de patiënten en immuungemedieerde bijwerkingen van graad 3 of 4 bij 4,8 en 1,2% van de patiënten. Wegens bijwerkingen werd de adjuvante behandeling met atezolizumab gestopt bij 9,1% van de patiënten en placebo bij 3,6% van de patiënten. Vanwege TRAE’s overleden drie patiënten (1,8%) in de atezolizumabgroep en geen van de patiënten in de placebogroep.
Referenties
1. Christensen E, et al. J Clin Oncol 2019;37:1547-57.
2. Powles T, et al. Nature 2021;595:432-7.
3. Powles T, et al. Eur Urol 2024;85:114-22.
4. Powles T, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA8.
5. Powles T, et al. N Engl J Med 2025; doi: 10.1056/NEJMoa2511885.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 3
Commentaar dr. Michiel van der Heijden, internist-oncoloog, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam
Het ESMO-congres heeft dit jaar goed laten zien hoeveel vooruitgang er is geboekt bij blaaskanker, onder meer met combinaties als enfortumab vedotin (EV) plus pembrolizumab. Deze behandeling is in Nederland nog niet beschikbaar in de gemetastaseerde setting, waardoor we voorlopig aangewezen blijven op platinabevattende chemotherapie met gemcitabine, gevolgd door onderhoud met avelumab bij nog fitte patiënten zonder progressie. In dat kader werd een interessante studie gepresenteerd waarin een praktische vraag werd onderzocht: kunnen we bij gevorderd urotheelcarcinoom (UC) volstaan met drie in plaats van zes kuren platinabevattende chemotherapie voorafgaand aan avelumab?1 De primaire uitkomstmaat was de kwaliteit van leven, die beter bleek bij drie kuren dan bij zes. De algehele overleving, ook een primaire uitkomstmaat, was echter identiek in beide groepen. Bovendien konden meer patiënten na drie kuren doorgaan met de onderhoudsbehandeling met avelumab. Hoewel deze bevindingen praktijkveranderend kunnen zijn, moesten patiënten in de avelumab-registratiestudie minimaal vier kuren chemotherapie hebben gehad. Maar er lijkt dus geen reden te zijn om na die vier kuren nog door te gaan met chemotherapie. Het is in elk geval de moeite waard dit met patiënten te bespreken.
Tijdens het ESMO-congres zijn ook de resultaten van de KEYNOTE-905-studie gepresenteerd. Hierin is een perioperatieve behandeling met EV plus pembrolizumab onderzocht bij patiënten met spierinvasieve blaaskanker die niet in aanmerking kwamen voor platinabevattende chemotherapie.2 De studie startte als vergelijking tussen monotherapie met pembrolizumab en directe cystectomie, maar vanwege de veelbelovende resultaten met EV plus pembrolizumab werd deze combinatie aan de studie toegevoegd en de monotherapie-arm gestopt. Het is jammer dat daardoor geen resultaten van pembrolizumab-monotherapie beschikbaar zijn, want nu wordt een heel krachtige combinatie vergeleken met alleen cystectomie. Toch waren de uitkomsten indrukwekkend: de pathologisch complete respons was 55% met EV plus pembrolizumab tegenover 8,6% met alleen cystectomie. Ook de eventvrije overleving (EFS) was duidelijk beter, met een HR van 0,4. De EFS in de controlearm was lager dan ik op voorhand zou hebben verwacht. Momenteel lopen er nog studies waarin EV plus pembrolizumab wordt vergeleken met cisplatinebevattende chemotherapie. De resultaten daarvan zullen helpen om een volledig beeld te krijgen en de plaats van deze combinatie in de Nederlandse praktijk beter te bepalen.
Daarnaast was er aandacht voor een antilichaam-geneesmiddelconjugaat gericht op HER2-overexpressie, een relevant aangrijpingspunt bij blaaskanker. In een Chinese studie werd een eerstelijnsbehandeling met disitamab vedotin (DV) plus toripalimab vergeleken met chemotherapie bij gevorderd UC.3 De opzet en resultaten leken sterk op die van de EV-302-studie: DV plus toripalimab verbeterde de algehele overleving, met een indrukwekkende HR van 0,54. DV en toripalimab zijn in Europa echter niet beschikbaar en daarbij zien we de resultaten van dit soort studies ook graag bevestigd in een meer Westerse populatie. Een dergelijke studie loopt al, met pembrolizumab in plaats van toripalimab.
Tot slot is in de IMvigor011-studie gekeken naar adjuvante therapie met atezolizumab bij hoog-risico, spierinvasieve blaaskanker, met gebruik van circulerend tumor (ct)-DNA-bepalingen.4 Een eerdere adjuvante studie met atezolizumab, de IMvigor010, was negatief, al bleek toen in een exploratieve analyse dat ctDNA-positieve patiënten wel baat hadden bij atezolizumab.5 Die bevinding is nu prospectief onderzocht in de IMvigor011. ctDNA-positieve patiënten werden gerandomiseerd naar atezolizumab of placebo. De behandeling met atezolizumab verbeterde zowel de ziektevrije overleving als de OS. ctDNA-tests lijken daarmee veelbelovend in de adjuvante setting: ze kunnen helpen onnodige behandelingen te vermijden, wat zowel de patiënt als de zorgkosten ten goede komt. In de Verenigde Staten worden ctDNA-tests al breed toegepast, in Europa nog nauwelijks.
Referenties
1. Grande Pulido E, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA109.
2. Vulsteke C, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA2.
3. Guo J, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA7.
4. Powles T, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA8.
5. Bellmunt J, et al. Lancet Oncol 2021;22:525-37.
In een podcast bespreken prof. dr. ir. Koos van der Hoeven en dr. Michiel van der Heijden naast bovenstaande studies ook de ALBAN- en POTOMAC-studie naar de toevoeging van immunotherapie aan BCG bij hoog-risico, niet-spierinvasieve blaaskanker. Ook gaan zij kort in op de ontwikkelingen bij peniskanker. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts