In een update van de COMMANDS-studie laat luspatercept een trend naar een betere algehele overleving zien, met een 20% lager risico op overlijden ten opzichte van epoëtine-alfa, in de eerste lijn bij transfusieafhankelijke patiënten met laagrisico myelodysplastisch syndroom. “Zelfs bij een mediane follow-up van tweeënhalf jaar blijft luspatercept het responspercentage verbeteren en biedt het een langere responsduur”, zei prof. dr. Valeria Santini (Florence, Italië) tijdens het EHA2025 Congress.
Chronische anemie is een veelvoorkomend probleem bij patiënten met laagrisico myelodysplastisch syndroom (LR-MDS) die afhankelijk zijn van bloedtransfusies, met verhoogde morbiditeit en een verhoogd risico op overlijden tot gevolg. De effectiviteit en responsduur van erytropoëse-stimulerende middelen (ESA) is echter vaak beperkt. Het middel luspatercept stimuleert de uitrijping van erytroblasten en toonde superieure activiteit ten opzichte van epoëtine-alfa (epo) voor de behandeling van anemie bij transfusieafhankelijke patiënten met LR-MDS in de gerandomiseerde fase 3-COMMANDS-studie.1 “Deze resultaten hebben geleid tot goedkeuring van luspatercept in de eerste lijn (na transfusie) voor anemische, transfusieafhankelijke patiënten”, zei Valeria Santini. Ze presenteerde nu de resultaten bij een mediane follow-up van ongeveer tweeënhalf jaar.2
COMMANDS-studie
In de COMMANDS-studie werden in totaal 363 anemische patiënten met LR-MDS 1:1 gerandomiseerd tussen luspatercept en epo. Alle patiënten waren afhankelijk van bloedtransfusies en niet eerder behandeld met een ESA. De primaire uitkomstmaat was het bereiken van transfusieonafhankelijkheid voor ten minste twaalf weken én tegelijk toename van hemoglobine (Hb) met ten minste 1,5 g/dl. Secundaire uitkomstmaten waren de algehele overleving (OS), duur van transfusieonafhankelijkheid langer dan 12 of 24 weken, progressie naar acute myeloïde leukemie (AML) en veiligheid. De meerderheid van de patiënten was positief voor ringsideroblasten (RS+). De mediane follow-up was 30,6 maanden voor luspatercept en 28,8 maanden voor epo. “De behandelduur was veel langer in de luspaterceptarm dan in de epoarm (71,5 versus 44,0 maanden)”, benadrukte Santini.
Betere OS en langere responsduur
“Er was een duidelijke trend naar een betere OS bij patiënten die behandeld werden met luspatercept”, vertelde ze. De mediane OS met luspatercept werd niet bereikt, en de mediane OS in de groep die behandeld werd met epo was 46,0 maanden (HR 0,805; 95% BI 0,565-1,146). De trend naar een betere OS werd gezien in alle geanalyseerde subgroepen, ongeacht het aantal bloedtransfusies, de RS-status of het eponiveau bij aanvang van de studie.
Analyse van de overleving vanaf 36 maanden na randomisatie liet een significant voordeel zien van luspatercept (HR 0,330; p=0,0161). Ook de responsduur was langer met luspatercept. Transfusieonafhankelijkheid gedurende minstens twaalf weken werd vaker bereikt in de luspatercept-dan in de epo-arm (76,4% versus 55,8%) en de mediane langste responsduur was 126,6 weken met luspatercept versus 86,7 weken met epo (HR 0,632; p=0,0156).
Er waren geen nieuwe veiligheidssignalen ten opzichte van eerdere analyses. Asthenie en hypertensie waren de meest voorkomende bijwerkingen van luspatercept. Een belangrijk resultaat bij de langere follow-up is progressie van de ziekte, aldus Santini. “Progressie naar hoogrisico-MDS kwam in de luspaterceptarm iets minder vaak voor (2,2% versus 5,6% in de epoarm). Progressie naar AML was in beide armen beperkt (4,9% en 4,4%).”
“Deze langetermijnresultaten laten voor het eerst een significant voordeel zien met betrekking tot de OS bij patiënten met transfusieafhankelijk LR-MDS die behandeld worden met luspatercept versus epo”, concludeerde Santini.
Referenties
1. Della Porta MG, et al. Lancet Haematol 2024;11:e646-58.
2. Santini V, et al. Hemasphere 2025;9(S1): abstr S177.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist