Aan de hand van een nieuwe uitkomstmaat voor veiligheid (de tijd tot het staken van de behandeling wegens ongewenste voorvallen) laat asciminib een significant betere verdraagbaarheid zien versus nilotinib bij patiënten met nieuw-gediagnosticeerde chronische myeloïde leukemie in de chronische fase. Dit blijkt uit een interimanalyse van de fase 3B-ASC4START-studie. “De responspercentages na twaalf weken waren ook hoger met asciminib dan met nilotinib”, zei prof. dr. Andreas Hochhaus (Jena, Duitsland) tijdens het EHA2025 Congress.
Voor de behandeling van chronische myeloïde leukemie (CML) is een lange behandeling vaak noodzakelijk, zei Andreas Hochhaus. “Dus we hebben geneesmiddelen nodig die zowel zeer werkzaam zijn, als goed verdragen worden.” In de ASC4FIRST-studie heeft asciminib een betere werkzaamheid en een gunstig veiligheidsprofiel laten zien ten opzichte van andere – door de onderzoekers gekozen – tyrosinekinaseremmers bij nieuw-gediagnosticeerde CML-patiënten in de chronische fase.1 Hochhaus: “In verschillende landen is asciminib al goedgekeurd voor de behandeling van deze patiënten, en goedkeuring wordt ook in de Europese Unie verwacht. De EMA en andere lokale instanties vroegen echter om meer data rond de verdraagbaarheid van asciminib. Daarom is de ASC4START-studie opgezet.”
Nieuwe uitkomstmaat
In de ASC4START-studie zijn 568 patiënten 1:1 gerandomiseerd naar asciminib of nilotinib. 2 De verdraagbaarheid van asciminib versus nilotinib is onderzocht aan de hand van een nieuwe uitkomstmaat voor veiligheid: de tijd tot het staken van de behandeling wegens ongewenste voorvallen (bijwerkingen of overlijden; TTDAE). Na een mediane follow-up van 9,7 maanden was 10,9% van de patiënten in de asciminibgroep en 17,3% van de patiënten in de nilotinibgroep gestopt met de behandeling. De belangrijkste reden voor het staken was het optreden van AE’s (bij respectievelijk 4,9 en 11,6% van de patiënten). De studie behaalde de primaire uitkomstmaat: in de asciminibgroep stopte 5,6% van de patiënten vanwege een TTDAE-voorval, en in de nilotinibgroep 12,1% (HR 0,45; 95% BI 0,25-0,81; p=0,004). “We zagen een 55% lagere kans op het staken van de behandeling wegens een TTDAE met asciminib ten opzichte van nilotinib”, zei Hochhaus.
Pancreatitis
AE’s van graad 3 of hoger die bij twee of meer patiënten leidden tot het staken van de behandeling waren trombocytopenie (1,4% met asciminib versus 0,4% met nilotinib), verhoogde lipaseconcentratie (1,4% met nilotinib), verhoogde concentratie alanine-aminotransferase (0,4% met asciminib versus 0,7% met nilotinib), pancreatitis (respectievelijk 0,4 versus 1,4%), verhoogde amylase- en bilirubineconcentratie en leverschade (alle alleen gerapporteerd met nilotinib). “Bijwerkingen van speciale interesse als gastro-intestinale toxiciteit, hypersensitiviteit en levertoxiciteit kwamen minder vaak voor met asciminib dan met nilotinib”, zei Hochhaus. Het percentage patiënten met myelosuppressie kwam overeen tussen beide armen.
Standaardbehandeling
Secundaire uitkomstmaten waren de moleculaire responspercentages na twaalf weken. Deze waren alle hoger met asciminib dan met nilotinib. Het BRC::ALB1IS ≤10% werd behaald bij 89,8% van de patiënten in de asciminibgroep en bij 82% van de patiënten in de nilotinibgroep. Majeure moleculaire responsen werden gezien bij respectievelijk 22,9 versus 10,2%.
Hochhaus concludeerde dat de ASC4START-studie positief was voor de primaire uitkomstmaat van TTDAE en dat asciminib daarmee een betere verdraagbaarheid laat zien dan nilotinib. “Deze data ondersteunen het potentieel dat asciminib heeft om de standaardbehandeling te worden voor patiënten met nieuw-gediagnosticeerde CML in de chronische fase.”
Referenties
1. Hochhaus A, et al. N Engl J Med 2024;391:885-98.
2. Hochhaus A, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr S166.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist