Een combinatie van acalabrutinib plus rituximab-bendamustine verlengt de progressievrije overleving significant ten opzichte van alleen rituximab-bendamustine bij patiënten met onbehandeld mantelcellymfoom met hoogrisicokenmerken. Dit blijkt uit een analyse van de ECHO-studie, die prof. dr. Martin Dreyling (München, Duitsland) tijdens het EHA2025 Congress presenteerde. “De werkzaamheid van de triple-combinatie in de hoogrisicopopulatie kwam overeen met de werkzaamheid van deze combinatie in de totale ECHO-studiepopulatie.”
Eerder gepubliceerde resultaten van de gerandomiseerde, dubbelblinde, placebogecontroleerde fase 3-ECHO-studie bij oudere patiënten met nog onbehandeld mantelcellymfoom lieten een significant betere progressievrije overleving (PFS) zien met de triple-combinatie van acalabrutinib plus rituximab-bendamustine (ABR) versus placebo plus BR (PBR).1 Patiënten met hoogrisicokenmerken reageren over het algemeen slecht op conventionele behandelingen. Het doel van de huidige analyse was om de uitkomsten wat betreft de werkzaamheid te analyseren bij hoogrisicopatiënten in de ECHO-studie.2
Absolute toename in CR van 20%
In de ECHO-studie zijn 598 patiënten met onbehandeld mantelcellymfoom 1:1 gerandomiseerd naar ABR of PBR. In deze studie had 61,9% van de patiënten hoogrisicokenmerken. Dit betrof een hoogrisico-MIPI bij 24,2%, een Ki-67-index ≥30% bij 47,8%, een blastoïde/pleiomorfe histologie bij 13,2% en een TP53-mutatie bij 8,5%. In deze hoogrisicopopulatie was het objectieve responspercentage 84,7% in de PBR-groep en 89,8% in de ABR-groep. Dreyling: “Deze toename van ongeveer 5% lijkt misschien niet veel, maar wel als je ziet dat het percentage complete responsen (CR’s) met 20%-punt toenam van 47,5% met PBR naar 67,9% met ABR. Dat is een grotere toename dan we zagen in de totale ECHO-studiepopulatie, waar het percentage CR met ongeveer 13%-punt toenam van 53,5% met PBR naar 66,6% met ABR.”
De mediane PFS verbeterde in de hoogrisicopopulatie van 36,0 maanden met PBR naar 49,5 maanden met ABR (HR 0,74; 95% BI 0,55-0,99; p=0,0432). Dit is ongeveer gelijk aan de PFS-resultaten voor de totale studiepopulatie (HR 0,73; 95% BI 0,57-0,94; p=0,160), aldus Dreyling. De resultaten betreffende de algehele overleving (OS) waren ook ongeveer vergelijkbaar tussen de hoogrisico- en totale studiepopulatie (respectievelijk HR 0,87; p=0,3913 en HR 0,86; p=0,2743).
Biologische hoogrisicokenmerken
“In deze analyse hebben we ook specifiek gekeken naar de drie biologische hoogrisicokenmerken die van belang zijn voor het nemen van behandelbeslissingen, namelijk de Ki-67-index ≥30%, de blastoïde/pleiomorfe histologie en/of TP53-mutaties”, zei Dreyling. In de groep met deze drie biologische hoogrisicokenmerken werd eveneens een significant voordeel in PFS gezien met ABR versus PBR (HR 0,66; 95% BI 0,48-0,91; p=0,0119). Deze resultaten waren ook beter dan de resultaten van de totale studiepopulatie. De OS was in deze populatie met een HR van 0,83 (p=0,2758) iets beter dan de OS in de totale studiepopulatie. Als de drie hoogrisicokenmerken afzonderlijk geanalyseerd werden, was de HR voor PFS 0,59 (p=0,0775) voor patiënten met blastoïde/pleiomorfe histologie en 0,63 (p=0,0084) voor patiënten met een Ki-67-index ≥30%. Het aantal patiënten met een TP53-mutatie was te klein voor een zinvolle analyse, aldus Dreyling.
Hij concludeerde dat een behandeling met ABR de PFS significant verbeterde ten opzichte van PBR bij patiënten met hoogrisico-mantelcellymfoom. “Patiënten met biologische hoogrisicokenmerken hadden numeriek een groter PFS-voordeel met deze behandeling dan de totale ECHO-studiepopulatie.”
Referenties
1. Wang M, et al. J Clin Oncol 2025;43:2276-84.
2. Dreyling M, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr S233.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 2