Ondanks de duidelijke vooruitgang in de behandeling van gerecidiveerd of refractair multipel myeloom, zijn de uitkomsten voor patiënten met extramedullaire ziekte nog altijd slecht. In de fase 2-RedirecTT-1-studie is de combinatie van talquetamab plus teclistamab onderzocht bij deze patiëntenpopulatie. Dit leidde tot diepe en aanhoudende responsen, zei prof. Shaji Kumar (Rochester, Verenigde Staten) tijdens het EHA2025 Congress. “Het objectieve responspercentage was 78,9%, met een complete respons of beter bij 54,4%.”
De standaardbehandelingen voor gerecidiveerd of refractair multipel myeloom (RRMM) leiden bij patiënten met extramedullaire ziekte (EMD) tot minder goede uitkomsten dan bij patiënten zonder EMD, begon Shaji Kumar.1 De bispecifieke antilichamen talquetamab (gericht tegen GPRC5D) en teclistamab (gericht tegen BCMA) zijn elk als monotherapie goedgekeurd voor de behandeling van RRMM-patiënten die aan drie eerdere klassen geneesmiddelen blootgesteld zijn. “Het fase 1-deel van de RedirecTT-1-studie liet een veelbelovende activiteit zien van talquetamab plus teclistamab bij patiënten met EMD”, zei Kumar.2 “Dit leidde tot de ontwikkeling van de fase 2-RedirecTT-1-studie, waarin gekeken is naar de werkzaamheid en veiligheid van deze combinatie bij RRMM-patiënten met EMD.”3 EMD was hierbij gedefinieerd als één of meer bot-onafhankelijke wekedelenplasmacytomen van ≥2 cm.
Verlenging doseringsinterval
In de studie werden de behandelingen met talquetamab en teclistamab toegediend in een step-updosering tot de volledige dosis van 0,8 mg/kg elke twee weken van talquetamab en 3,0 mg/kg elke twee weken van teclistamab. Kumar: “Dit doseringsinterval kon verlengd worden naar eenmaal in de vier weken bij een zeer goede partiële respons of beter na vier cycli, of naar inzicht van de onderzoeker na zes cycli.” De primaire uitkomstmaat was het objectieve responspercentage (ORR; op basis van centrale radiologische review). In totaal zijn negentig patiënten geïncludeerd.
Zeer effectief
De resultaten lieten zien dat de combinatie van talquetamab plus teclistamab zeer effectief was bij RRMM-patiënten met EMD. “Uit eerdere analyses van monotherapie met talquetamab of teclistamab zagen we bij patiënten met EMD ORR’s van ongeveer 43% en een complete respons (CR) bij 15 en 18% van de patiënten”, zei Kumar. “Maar na een mediane follow-up van 12,6 maanden was de ORR in de RedirectTT-1-studie 78,9%, met een complete respons (CR) of beter bij 54,4% van de patiënten.” De mediane tijd tot een respons was 2,6 maanden en de mediane tijd tot eerste respons was 4,7 maanden. In totaal stapte 77,5% van de responders over naar de maandelijkse dosering. “De meeste responsen (92,7%) bleven na het switchen behouden of verdiepten zelfs.”
PFS langer dan een jaar
De mediane progressievrije overleving (PFS) was 15,4 maanden en het éénjaars-PFS-percentage was 61,0%. De mediane duur van de respons was 13,8 maanden en de mediane algehele overleving was nog niet bereikt, maar na één jaar was 74,5% van de patiënten nog in leven.
“De toxiciteit was zoals we verwachtten van deze bispecifieke antilichamen”, aldus Kumar. In totaal was er bij 78% van de patiënten sprake van het cytokinereleasesyndroom (voornamelijk graad 1 of 2). ICANS werd gezien bij 12,2% van de patiënten (ook met name graad 1 of 2). “We zagen geen nieuwe ongewenste voorvallen met de combinatie”, zei Kumar. “Wel overleden tien patiënten, waarvan vijf wegens een infectie.”
Kumar concludeerde dat een behandeling met talquetamab plus teclistamab leidt tot diepe en aanhoudende responsen bij RRMM-patiënten met EMD. “Deze combinatie is een grote stap vooruit voor onze patiënten.”
Referenties
1. Moreau P, et al. Clin Lymphoma Myeloma Leuk 2025 Mar 27. DOI: 10.1016/j.clml.2025.03.014. Online ahead of print.
2. Cohen Y, et al. N Engl J Med 2025;9:138-49.
3. Kumar S, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr LB4001.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 2
Commentaar dr. Inger Nijhof, internist-hematoloog, St. Antonius Ziekenhuis, Nieuwegein
Tijdens het EHA2025 Congress werden spraakmakende en mogelijk practice-changing resultaten gepresenteerd van studies naar nieuwe behandelingen bij patiënten met multipel myeloom. Zo was er bijvoorbeeld een presentatie over de geüpdatete resultaten van de fase 1b/2-CARTITUDE-1-studie, waarin de uitkomst werd onderzocht van een eenmalige toediening van het BCMA-specifieke chimere antigeenreceptor (CAR) T-celproduct ciltacabtagene autoleucel (cilta-cel) bij patiënten met gerecidiveerd of refractair multipel myeloom (RRMM). Eerder gepresenteerde resultaten van deze studie hadden laten zien dat de behandeling met cilta-cel geassocieerd was met een hanteerbaar toxiciteitsprofiel, een objectieve responspercentage (ORR) van 97% en een mediane progressievrije overleving (PFS) van 34,9 maanden, een indrukwekkend resultaat in deze patiëntengroep met een slechte prognose.1,2 Uit de nu gepresenteerde resultaten bleek dat 33% van de 97 behandelde patiënten nog in leven en progressievrij was na een mediane follow-up van 61,3 maanden, waarbij al deze patiënten nog steeds in diepe remissie zijn!3,4 Daarbij waren de patiënten bij wie MRD bepaald is, allen MRD-negatief gedurende de hele follow-up. De hoop is dat deze patiënten nog een veel duurzamere PFS zullen hebben en dat we voorzichtig uitkijken naar het ontstaan van een plateau in de curve. Dit zijn spectaculaire resultaten. Verder werden er geen nieuwe veiligheidssignalen geconstateerd. Deze resultaten geven aanleiding tot klinische studies naar cilta-cel bij patiënten die minder voorbehandelingen hebben gehad, zoals de CARTITUDE-4-studie, waarin cilta-cel werd ingezet vanaf de tweede lijn bij hoog-risicopatiënten (zoals lenalidomide-refractaire patiënten en patiënten met een vroeg recidief na autologe stamceltransplantatie) en de eerste lijn in de lopende CARTITUDE-5- en -6-studie. Je zou kunnen bedenken dat eventuele onderhoudsbehandeling na cilta-celbehandeling, bijvoorbeeld in hoog-risicogroepen, wellicht kansen geeft om de werkzaamheid nog verder te verbeteren.
Ook was er een presentatie over de resultaten van een fase 1-studie bij patiënten met RRMM naar de veiligheid en werkzaamheid van het trispecifieke antilichaam JNJ-5322. Dit antilichaam bindt met hoge affiniteit aan zowel BCMA als GPRC5D op myeloomcellen en met relatief lage affiniteit aan CD3 op T-cellen, waardoor het risico op bijwerkingen zoals cytokinereleasesyndroom (CRS) mogelijk lager is. Dit bleek inderdaad het geval.5 Bij patiënten die met de aanbevolen fase 2-dosering (RP2D) werden behandeld was de incidentie van CRS 53%, maar dit was meestal van graad 1. Daarnaast kwamen ook neurotoxiciteit, smaak- en gewichtsverlies relatief weinig en/of vooral laaggradig voor. Alle 36 patiënten in de RP2D-groep hadden een objectieve respons, van wie 70,4% een complete respons (CR) en 25,9% een zeer goede partiële respons. Ik ben dan ook benieuwd naar de uitkomst van dit trispecifieke antilichaam in fase 2- en 3-studies bij patiënten met RRMM en bij minder uitgebreid voorbehandelde patiënten.
In de fase 2-RedirecTT-1-studie werden de werkzaamheid en veiligheid bepaald van combinatiebehandeling met de bispecifieke antilichamen talquetamab en teclistamab bij patiënten met RRMM en extramedullaire ziekte. Uit de resultaten bleek dat de ORR in deze uitgebreid voorbehandelde patiëntengroep maar liefst 78,9% was, met een CR of beter bij 54,4% van de patiënten.6 De mediane PFS was 15,4 maanden en de éénjaars-PFS was 61,0%. Het toxiciteitsprofiel van deze combinatiebehandeling kwam overeen met de profielen van de beide antilichamen. CRS en immune effector cell-associated neurotoxicity syndrome kwamen voor bij respectievelijk 78 en 12% van de patiënten en waren grotendeels van graad 1 of 2. Kortom, veelbelovende resultaten voor een patiëntengroep met een slechte prognose.
Referenties
1. Berdeja JG, et al. Lancet 2021;398:314-24.
2. Lin Y, et al. J Clin Oncol 2023;41(16_suppl): abstr 8009.
3. Jagannath S, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr S192.
4. Jagannath S, et al. J Clin Oncol 2025 Jun 3. DOI: 10.1200/JCO-25-00760. Online ahead of print.
5. Popat R, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr S100.
6. Kumar S, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr LB4001.
In een podcast met dr. Jurjen Versluis bespreekt dr. Inger Nijhof naast bovenstaande studies ook de fase 3-MIDAS-studie naar meetbare-restziekte-gestuurde behandeling bij patiënten met nieuw-gediagnosticeerd multipel myeloom (NDMM) die voor transplantatie in aanmerking komen, en de LINKER-MM2-studie naar combinatiebehandeling met linvoseltamab en carfilzomib bij patiënten met RRMM. Daarnaast bediscussieert zij de resultaten van de MAGNETISMM-6-studie, waarin de uitkomst werd onderzocht van elranatamab in combinatie met daratumumab en lenalidomide bij patiënten met NDMM, en de nieuwe criteria voor hoogrisico multipel myeloom. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts
Commentaar dr. Inger Nijhof, internist-hematoloog, St. Antonius Ziekenhuis, Nieuwegein
Tijdens het EHA2025 Congress werden spraakmakende en mogelijk practice-changing resultaten gepresenteerd van studies naar nieuwe behandelingen bij patiënten met multipel myeloom. Zo was er bijvoorbeeld een presentatie over de geüpdatete resultaten van de fase 1b/2-CARTITUDE-1-studie, waarin de uitkomst werd onderzocht van een eenmalige toediening van het BCMA-specifieke chimere antigeenreceptor (CAR) T-celproduct ciltacabtagene autoleucel (cilta-cel) bij patiënten met gerecidiveerd of refractair multipel myeloom (RRMM). Eerder gepresenteerde resultaten van deze studie hadden laten zien dat de behandeling met cilta-cel geassocieerd was met een hanteerbaar toxiciteitsprofiel, een objectieve responspercentage (ORR) van 97% en een mediane progressievrije overleving (PFS) van 34,9 maanden, een indrukwekkend resultaat in deze patiëntengroep met een slechte prognose.1,2 Uit de nu gepresenteerde resultaten bleek dat 33% van de 97 behandelde patiënten nog in leven en progressievrij was na een mediane follow-up van 61,3 maanden, waarbij al deze patiënten nog steeds in diepe remissie zijn!3,4 Daarbij waren de patiënten bij wie MRD bepaald is, allen MRD-negatief gedurende de hele follow-up. De hoop is dat deze patiënten nog een veel duurzamere PFS zullen hebben en dat we voorzichtig uitkijken naar het ontstaan van een plateau in de curve. Dit zijn spectaculaire resultaten. Verder werden er geen nieuwe veiligheidssignalen geconstateerd. Deze resultaten geven aanleiding tot klinische studies naar cilta-cel bij patiënten die minder voorbehandelingen hebben gehad, zoals de CARTITUDE-4-studie, waarin cilta-cel werd ingezet vanaf de tweede lijn bij hoog-risicopatiënten (zoals lenalidomide-refractaire patiënten en patiënten met een vroeg recidief na autologe stamceltransplantatie) en de eerste lijn in de lopende CARTITUDE-5- en -6-studie. Je zou kunnen bedenken dat eventuele onderhoudsbehandeling na cilta-celbehandeling, bijvoorbeeld in hoog-risicogroepen, wellicht kansen geeft om de werkzaamheid nog verder te verbeteren.
Ook was er een presentatie over de resultaten van een fase 1-studie bij patiënten met RRMM naar de veiligheid en werkzaamheid van het trispecifieke antilichaam JNJ-5322. Dit antilichaam bindt met hoge affiniteit aan zowel BCMA als GPRC5D op myeloomcellen en met relatief lage affiniteit aan CD3 op T-cellen, waardoor het risico op bijwerkingen zoals cytokinereleasesyndroom (CRS) mogelijk lager is. Dit bleek inderdaad het geval.5 Bij patiënten die met de aanbevolen fase 2-dosering (RP2D) werden behandeld was de incidentie van CRS 53%, maar dit was meestal van graad 1. Daarnaast kwamen ook neurotoxiciteit, smaak- en gewichtsverlies relatief weinig en/of vooral laaggradig voor. Alle 36 patiënten in de RP2D-groep hadden een objectieve respons, van wie 70,4% een complete respons (CR) en 25,9% een zeer goede partiële respons. Ik ben dan ook benieuwd naar de uitkomst van dit trispecifieke antilichaam in fase 2- en 3-studies bij patiënten met RRMM en bij minder uitgebreid voorbehandelde patiënten.
In de fase 2-RedirecTT-1-studie werden de werkzaamheid en veiligheid bepaald van combinatiebehandeling met de bispecifieke antilichamen talquetamab en teclistamab bij patiënten met RRMM en extramedullaire ziekte. Uit de resultaten bleek dat de ORR in deze uitgebreid voorbehandelde patiëntengroep maar liefst 78,9% was, met een CR of beter bij 54,4% van de patiënten.6 De mediane PFS was 15,4 maanden en de éénjaars-PFS was 61,0%. Het toxiciteitsprofiel van deze combinatiebehandeling kwam overeen met de profielen van de beide antilichamen. CRS en immune effector cell-associated neurotoxicity syndrome kwamen voor bij respectievelijk 78 en 12% van de patiënten en waren grotendeels van graad 1 of 2. Kortom, veelbelovende resultaten voor een patiëntengroep met een slechte prognose.
Referenties
1. Berdeja JG, et al. Lancet 2021;398:314-24.
2. Lin Y, et al. J Clin Oncol 2023;41(16_suppl): abstr 8009.
3. Jagannath S, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr S192.
4. Jagannath S, et al. J Clin Oncol 2025 Jun 3. DOI: 10.1200/JCO-25-00760. Online ahead of print.
5. Popat R, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr S100.
6. Kumar S, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr LB4001.
In een podcast met dr. Jurjen Versluis bespreekt dr. Inger Nijhof naast bovenstaande studies ook de fase 3-MIDAS-studie naar meetbare-restziekte-gestuurde behandeling bij patiënten met nieuw-gediagnosticeerd multipel myeloom (NDMM) die voor transplantatie in aanmerking komen, en de LINKER-MM2-studie naar combinatiebehandeling met linvoseltamab en carfilzomib bij patiënten met RRMM. Daarnaast bediscussieert zij de resultaten van de MAGNETISMM-6-studie, waarin de uitkomst werd onderzocht van elranatamab in combinatie met daratumumab en lenalidomide bij patiënten met NDMM, en de nieuwe criteria voor hoogrisico multipel myeloom. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts