Een behandeling met elranatamab (76 mg elke vier weken) plus daratumumab en lenalidomide lijkt zeer werkzaam bij patiënten met nieuw-gediagnosticeerd multipel myeloom die niet in aanmerking komen voor een transplantatie. Prof. Meletios Dimopoulos (Athene, Griekenland) presenteerde deze resultaten van deel 1 van de MagnetisMM-6-studie tijdens het EHA2025 Congress. “We zagen een respons bij 36 van de 37 geïncludeerde patiënten.”
Op basis van de MagnetisMM-3-studie is elranatamab (een bispecifiek antilichaam gericht tegen BCMA en CD3) goedgekeurd als monotherapie voor patiënten met gerecidiveerd/refractair (RR) multipel myeloom (MM) die eerder behandeld zijn met een immuunmodulerend middel, een proteasoomremmer en een anti-CD38-antilichaam.1 Het combineren van elranatamab met daratumumab en lenalidomide kan de immuungemedieerde dood van myeloomcellen verder bevorderen. “De MagnetisMM-6-studie heeft daarom als doel de werkzaamheid van elranatamab met of zonder daratumumab plus lenalidomide (EDR of ER) te evalueren versus daratumumab plus lenalidomide en dexamethason (DRd) bij patiënten met nieuw-gediagnosticeerd (ND) MM die niet in aanmerking kwamen voor een transplantatie”, legde Meletios Dimopoulos uit.2 In deel 1 van deze studie is gekeken naar de optimale dosering van EDR of ER bij patiënten met RRMM en NDMM om de aanbevolen fase 3-dosering voor deel 2 van de studie te bepalen.
Candida-pneumonie van graad 5
Deel 1 van de MagnetisMM-6-studie bestond uit verschillende cohorten, liet Dimopoulos zien. “Het belangrijkste verschil tussen de cohorten was het doseringsinterval van elranatamab. Dit varieerde van wekelijkse tot vierwekelijkse intervallen.” Hij presenteerde de resultaten van cohort G, waarin elranatamab gegeven werd in een dosering van 76 mg elke vier weken in combinatie met de standaarddoseringen van daratumumab (1.800 mg) en lenalidomide (25 mg) bij NDMM-patiënten die niet in aanmerking kwamen voor een transplantatie. In totaal zijn 37 patiënten in dit cohort geïncludeerd.
Wat betreft het veiligheidsprofiel van de onderzochte behandelcombinatie werden bij 94,6% van de patiënten treatment-emergent adverse events (TEAE’s) van graad 3 of 4 gerapporteerd. Dit betroffen met name hematologische TEAE’s (78,4% graad 3/4, voornamelijk neutropenie), infecties (18,9% graad 3/4) en het cytokinereleasesyndroom (bij 62,2%, alleen graad 2 of lager). Dimopoulos: “We zagen slechts één geval van ICANS, dit betrof graad 2.” De gerapporteerde infecties waren volgens hem typerend voor patiënten met NDMM, afgezien van één geval van een Candida-pneumonie van graad 5.
Responspercentage van 97,3%
Dimopoulos deelde tevens vroege responsdata, met een mediane follow-up van 7,9 maanden. “Alle patiënten – op de patiënt na die overleed aan de Candida-infectie – hadden een respons”, zei hij (bevestigd objectief responspercentage van 97,3%). In totaal had 94,6% van de patiënten een zeer goede partiële respons of beter, met een complete respons of beter bij 27,0%. “We verwachten dat het aantal complete responsen nog zal toenemen met de tijd.”
Dimopoulos concludeerde dat EDR zeer werkzaam is en een hanteerbaar veiligheidsprofiel heeft bij NDMM-patiënten die niet in aanmerking komen voor een transplantatie. “Op basis van deze resultaten zal binnenkort de fase 3-MagnetisMM-6-studie (deel 2) opengaan, waarin de combinatie van EDR zoals onderzocht in cohort G, geëvalueerd zal worden versus DRd”, besloot Dimopoulos.
Referenties
1. Lesokhin AM, et al. Nat Med 2023;29:2259-67.
2. Dimopoulos MA, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr S206.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 2