Langetermijnresultaten van de fase 2-CAPTIVATE-studie laten zien dat eerstelijnsbehandeling met ibrutinib plus venetoclax geassocieerd is met een langdurige progressievrije en algehele overleving bij patiënten met chronische lymfatische leukemie of klein lymfocytair lymfoom. Meetbare restziekte aan het einde van de behandeling was predictief voor de progressievrije overleving. Deze resultaten werden tijdens het EHA2025 Congress gepresenteerd door prof. dr. Paolo Ghia (Milaan, Italië).
In de fase 2-CAPTIVATE-studie werd de uitkomst onderzocht van eerstelijnsbehandeling met ibrutinib plus venetoclax in twee cohorten van patiënten van 70 jaar en jonger met chronische lymfatische leukemie (CLL) of klein lymfocytair lymfoom (SLL). In het eerste cohort werden de patiënten voor een vaste duur behandeld (FD-cohort) en in het tweede cohort werden patiënten zonder meetbare restziekte (MRD) toegewezen aan een placeboarm of een ibrutinibarm en patiënten mét MRD aan een ibrutinibarm of een ibrutinib-plus-venetoclaxarm (MRD-cohort). Eerdere resultaten van deze studie lieten onder andere zien dat na een follow-up van vijf jaar FD-behandeling met ibrutinib plus venetoclax geassocieerd was met een langdurige progressievrije overleving (PFS).1 De huidige analyse betrof de eindresultaten van het FD-cohort en de placeboarm van het MRD-cohort.
5,5-jaars-PFS
Na een follow-up tot zeven jaar waren de PFS en algehele overleving (OS) niet bereikt in de gepoolde populatie (n=202).2 Na vijfenhalf jaar was de PFS 66% en de OS 97%. “In het FD-cohort (n=159) waren de 5,5-jaars-PFS en -OS heel vergelijkbaar, respectievelijk 60 en 96%. In de gepoolde populatie was de 5,5-jaars-PFS 59 en 84% bij respectievelijk patiënten zonder en met IGHV-mutaties en ook zonder del(17p) en TP53-mutaties. Bij patiënten met en zonder del(17p) en TP53-mutaties was de 5,5-jaars-PFS respectievelijk 36 en 70%”, aldus Paolo Ghia.
Na vijfenhalf jaar was 73 en 69% in respectievelijk het gepoolde en FD-cohort vrij van een volgende lijn behandeling.
Ghia: “De MRD-status in het perifere bloed was aan het einde van de behandeling een betere voorspeller van de PFS dan na de zevende cyclus. In het FD-cohort was de 5,5-jaars-PFS 60% bij zowel MRD-negatieve als -positieve patiënten na cyclus zeven. Aan het einde van de behandeling was de 5,5-jaars-PFS 71% bij MRD-negatieve patiënten en 47% bij MRD-positieve patiënten. De predictieve waarde van de MRD-status aan het einde van de behandeling was onafhankelijk van de IGHV- en del(17p)/TP53-mutatiestatus.”
Herbehandeling
Van de patiënten met progressieve ziekte werden vijfentwintig patiënten herbehandeld met ibrutinib en elf patiënten met FD met ibrutinib plus venetoclax. Deze herbehandelingen resulteerden niet in nieuwe veiligheidssignalen. Op het moment van analyse was de mediane duur van de herbehandeling 27,0 maanden met ibrutinib en 13,8 maanden met ibrutinib plus venetoclax. Het objectieve responspercentage en de tweejaars-PFS en -OS waren respectievelijk 76, 91 en 96% met ibrutinib en 82, 100 en 100% met ibrutinib plus venetoclax.
Referenties
1. Wierda WG, et al. J Clin Oncol 2024;42(16_suppl):7009.
2. Wierda W, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr S156.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 2
Commentaar dr. Evert-Jan de Kruijf, internist-hematoloog, OLVG, Amsterdam
Het EHA2025 Congress bracht dit jaar de nodige interessante studieresultaten op het gebied van chronische lymfatische leukemie (CLL), met name wat betreft de eerstelijnsbehandeling. Zo presenteerde prof. dr. Arnon Kater (Amsterdam UMC) een update van de GAIA/CLL13-studie, een grote eerstelijnsstudie bij fitte CLL-patiënten zonder TP53-mutatie. Hierin werden vier verschillende behandelingen met elkaar vergeleken: chemo-immunotherapie (CIT), venetoclax plus obinutuzumab (VenO), venetoclax plus rituximab (VenR) en VenO plus ibrutinib (VenO-I). De eerste resultaten werden in 2023 al gepubliceerd, toen er een betere progressievrije overleving (PFS) gerapporteerd werd met VenO en VenO-I versus CIT of VenR.1 De analyse die Kater presenteerde betrof bijna 1.000 patiënten en een follow-up van 64 maanden.2 En waar in de analyse van 2023 de PFS-curves van VenO en VenO-I nog over elkaar lagen, zagen we dat deze curves met de langere follow-up uit elkaar zijn gaan lopen. De vijfjaars-PFS was 69,8% met VenO en 81,3% met VenO-I. En dat terwijl de vijfjaars-PFS met CIT slechts 50,7% was. Daarnaast behaalde ongeveer 60% van de patiënten in de VenO-I-groep ondetecteerbare restziekte (MRD6) en bleek het behalen van MRD-negativiteit geassocieerd met een betere PFS. De tijd tot volgende behandeling was ook het langst met VenO-I. Tegelijkertijd werd er in deze studie geen significant verschil in algehele overleving (OS) gezien tussen de vier behandelgroepen. Daar is wellicht nog een langere follow-up voor nodig. Ondanks deze resultaten zie ik persoonlijk geen sterk toegevoegde waarde van VenO-I aan het huidige behandelarsenaal in Nederland. Ik denk dat het interessanter is om te kijken of we beter VenO of VenI kunnen geven; een vraag waar de CLL17-studie binnenkort hopelijk een antwoord op gaat geven.
Naast de GAIA-studie was ook de fase 2-CAPTIVATE-studie interessant. Dit betrof een studie voor relatief jonge CLL-patiënten waarin een behandeling met VenI gegeven werd met een vaste behandelduur van één jaar (plus een ramp-up met ibrutinib van drie maanden).3 Na een follow-up van vijfenhalf jaar zagen we een PFS van 66% en een OS van 97%. Ongeveer 70% van de patiënten behaalde MRD4 en na deze vijfenhalf jaar had 73% van de patiënten nog geen nieuwe behandeling nodig. Dat is toch wel bijzonder. Ook bleken er met deze beperkte behandelduur geen resistentiemutaties tegen BTK-remmers op te treden. Daarnaast was het mogelijk om in geval van een recidief opnieuw een behandeling met ibrutinib of VenI te geven, waarbij een objectieve respons van ongeveer 80% werd gezien.
Tot slot de FLAIR-studie, een fase 3-studie waarin fitte CLL-patiënten gerandomiseerd werden naar een eerstelijnsbehandeling met CIT, ibrutinib of VenI.4 Hierbij hing de duur van de VenI-behandeling af van het moment dat patiënten MRD-negativiteit bereiken. De totale behandelduur was namelijk tweemaal de tijd tot MRD-negativiteit. Dus als een patiënt na één jaar geen MRD meer had, werd nog een jaar doorbehandeld en was de totale behandelduur dus twee jaar. Voor een patiënt die na anderhalf jaar MRD-negativiteit bereikte, was de totale behandelduur drie jaar, et cetera. In de huidige analyse waren 786 patiënten geïncludeerd, maar de studie loopt nog door. De resultaten lieten een PFS van 94% zien met VenI versus 63% met CIT, een fors verschil. En interessant is dat we hier ook een OS-voordeel zien in de VenI-groep. De OS was 88% met CIT en 96% met VenI. Dus: een interessante benadering die bij een groot aantal patiënten een langdurige respons geeft bij een behandeling met een – in principe – beperkte duur.
Referenties
1. Eichhorst B, et al. N Engl J Med 2023;388:1739-54.
2. Fürstenau M, et al. HemaSphere 2025;9(S1); abstr S191.
3. Wierda W, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr S156.
4. Munir T, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr S155.
In een podcast met dr. Jurjen Versluis bespreekt dr. Evert-Jan de Kruijf naast bovenstaande studies ook de fase 1-CaDanCe-101-studie naar de BTK-degrader BDB-16673 bij patiënten met gerecidiveerd of refractair CLL/SLL. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts