Daling van serum-TARC tot normale niveaus na de eerste behandelcyclus voorspelt een uitstekende uitkomst voor patiënten met gevorderd klassiek hodgkinlymfoom, ook als de eerste PET-scan positief is. Patiënten met zowel een positieve PET-scan als verhoogd serum-TARC hadden een verhoogd risico op falen van de behandeling, ondanks intensivering. “Serum-TARC kan gebruikt worden om de behandeling te sturen”, zei Sophie Teesink (UMC Groningen), die deze analyse van de EORTC-1537-COBRA-studie presenteerde tijdens het EHA2025 Congress.
Bij klassiek hodginlymfoom (cHL) is de standaard momenteel een op de respons aangepaste behandeling op basis van een interim-FDG-PET-scan. Dit heeft echter enkele beperkingen, legde Sophie Teesink uit. “De scan is niet specifiek voor tumoractiviteit en heeft beperkte positieve predictieve waarde. Daardoor is overbehandeling mogelijk. Biomarkers zouden hier verbetering in kunnen brengen.”
Thymus and activation regulated chemokine (TARC) wordt uitgescheiden door Reed-Sternbergcellen die kenmerkend zijn voor cHL. Bij meer dan 90% van de patiënten worden bij diagnose hoge niveaus TARC gevonden in het serum, gemiddeld 400 keer hoger dan bij gezonde personen. Verschillen in TARC-niveaus kunnen onderscheid maken tussen patiënten die beter of slechter reageren op therapie. Heeft vroege interimbepaling van serum-TARC potentie als biomarker om patiënten te stratificeren en de behandeling te sturen?, was de vraag die Teesink en collega’s wilden beantwoorden.
Afname serum-TARC
Daartoe voerden ze een vooraf geplande analyse uit binnen de EORTC-1537-COBRA-studie.1 In deze studie werd bij patiënten met gevorderd cHL een vroege interim-PET-scan (PET1) gemaakt na één cyclus BV-AVD. Patiënten met een positieve PET-scan kregen een intensievere behandeling met zes cycli BrECADD, patiënten met een negatieve PET-scan kregen vijf cycli BV-AVD. Bij een positieve tweede PET-scan (PET2) werd vervolgens radiotherapie gegeven. De onderzoekers bepaalden van 127 patiënten serum-TARC bij diagnose en na de eerste cyclus BV-AVD (sTARC1), op hetzelfde moment als PET1. De drempelwaarde voor hoge serum-TARC was >1.000 pg/ml, gebaseerd op eerder onderzoek.
“In ons cohort was 95% van de patiënten bij start van de studie positief voor serum-TARC. Na één cyclus BV-AVD nam dit al af tot 23%. Vrijwel alle patiënten met een negatieve PET1 waren ook negatief voor sTARC1. PET1 was positief bij 41% van de patiënten, maar een groot deel van hen (36/53; 68%) was negatief voor sTARC1.”2
Prognostische waarde
Bij PET1-negatieve patiënten was na twee jaar de mediane progressievrije overleving (PFS) 85,1%, bij PET1-positieve patiënten was dit 90,6%. “Dit kan verklaard worden door intensivering van de behandeling”, aldus Teesink. “Bij patiënten die negatief waren voor sTARC1 was de tweejaars-PFS 91,2% vergeleken met 73,3% bij patiënten met positief sTARC1, hoewel de behandeling van deze patiënten ook was aangepast op basis van de PET1-score.”
Opvallend was dat binnen de PET1-positieve groep, die een intensievere behandeling kreeg, de tweejaars-PFS voor sTARC1-positieve patiënten 70,6% was, terwijl deze 100% was voor sTARC1-negatieve patiënten. “Dit zijn de patiënten die mogelijk worden overbehandeld”, concludeerde Teesink.
“Serum-TARC heeft een significante prognostische waarde vroeg in de behandeling en kan gebruikt worden om de behandeling te sturen.”
Referenties
1. Hutchings M, et al. EHA 2024; abstract S227.
2. Teesink S, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr S229.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 2
Commentaar dr. Suzanne van Dorp, internist-hematoloog, Radboudumc, Nijmegen
Meetbare restziekte (MRD) lijkt duidelijker en eerder te kunnen worden bepaald op basis van circulerend tumor-DNA (ctDNA) dan met beeldvorming, en dit zal echt verschil gaan maken voor de diagnostiek en follow-up van grootcellige B-cellymfomen. Met data uit de HOVON 902-studie werd bij 160 patiënten ctDNA gemeten van het originele tumormateriaal en vervolgd in het bloed.1 Patiënten die op de PET-scan een complete metabole remissie hebben maar MRD-positief zijn, met meetbaar ctDNA, hebben een grotere kans op terugkeer van de ziekte. Patiënten met aanwezigheid van ziekte op de PET-scan die ook MRD-positief zijn, ontwikkelen allemaal op korte termijn een recidief. Vooral voor degenen die PET-negatief en MRD-positief zijn kan dit impact hebben voor een eventuele vervolgbehandeling, bijvoorbeeld door verdere intensivering. Momenteel zijn verschillende methoden in gebruik voor de bepaling van ctDNA, waardoor de uitkomsten kunnen variëren. Harmonisatie is dus nodig voor een eventuele toepassing in de praktijk.
Bij patiënten met een hodgkinlymfoom blijkt thymus and activation regulated chemokine (TARC) een goede voorspeller te zijn voor de diepte van remissie. In de COBRA-studie werd bij mensen met een positieve eerste PET-scan de behandeling geïntensiveerd.2 Patiënten met een positieve eerste PET-scan bij wie TARC niet meer aantoonbaar was, bleken een progressievrije overleving te hebben van twee jaar. Deze uitkomsten zijn zo goed dat de vraag rijst of deze mensen niet overbehandeld zijn. De waarde van TARC en ctDNA als biomarkers zal bevestigd moeten worden met prospectieve validatie in gerandomiseerde studies, waarbij verschillende soorten behandelingen voor lymfoom mee worden genomen.
Polatuzumab vedotin is een antilichaam-geneesmiddelconjugaat dat in de POLARGO-studie werd gecombineerd met gemcitabine en oxaliplatine bij patiënten met gerecidiveerd diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL) die niet in aanmerking komen voor een autologe stamceltransplantatie.3 Dit zijn vaak wat oudere, kwetsbare mensen voor wie de behandelkeuze in de tweede lijn lastig kan zijn. Met gemcitabine-oxaliplatine was de mediane algehele overleving (OS) net twaalf maanden. De toevoeging van polatuzumab zorgde voor een duidelijke verbetering. Deze combinatie kan een goed alternatief zijn om deze mensen een langere en progressievrije overleving te geven. In de derde lijn komen deze mensen in aanmerking voor CAR-T-celtherapie, maar als ze in de tweede lijn zijn behandeld met bendamustine is de T-celfunctie zodanig verslechterd dat minstens negen maanden gewacht moet worden voordat CAR-T-cellen kunnen worden gemaakt. Gemcitabine-oxaliplatine plus polatuzumab zou een goed alternatief kunnen zijn voor bendamustine in de tweede lijn voor kwetsbare patiënten met refractair of gerecidiveerd DLBCL.
Referenties
1. Chamuleau M, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr S240.
2. Teesink S, et al. Hemasphere 2025;9(S1) abstr S229.
3. Matasar M, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr S101.
In een podcast met dr. Jurjen Versluis bespreekt dr. Suzanne van Dorp naast bovenstaande studies ook real-worlddata met CAR-T-celtherapie bij grootcellig B-cellymfoom en studies met bispecifieke antilichamen bij laaggradige lymfomen. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu