De toevoeging van tafasitamab aan lenalidomide en rituximab is geassocieerd met een significant betere progressievrije overleving en objectieve respons bij patiënten met recidief of refractair folliculair lymfoom. Deze toevoeging resulteerde niet in een significante toename van de toxiciteit, bleek uit de resultaten van de fase 3-inMIND-studie, die tijdens het EHA2025 Congress gepresenteerd werden door prof. dr. Marek Trnĕný (Praag, Tsjechië).
De combinatie van lenalidomide en rituximab is een geregistreerde behandeling bij patiënten met recidief of refractair (R/R) folliculair lymfoom. Daarnaast is het gehumaniseerde, CD19-specifieke monoklonale antilichaam tafasitamab in combinatie met lenalidomide geregistreerd als therapie bij patiënten met R/R diffuus grootcellig B-cellymfoom die niet in aanmerking komen voor transplantatie.
In de gerandomiseerde, internationale, dubbelblinde fase 3-inMIND-studie wordt de uitkomst onderzocht van tafasitamab of placebo, beide in combinatie met lenalidomide en rituximab bij patiënten met R/R folliculair lymfoom of R/R mantelcellymfoom. De primaire uitkomstmaat is de progressievrije overleving (PFS) bij patiënten met R/R folliculair lymfoom.
Significant betere PFS
Uit de resultaten bleek dat na een mediane follow-up van 14,1 maanden de toevoeging van tafasitamab aan lenalidomide en rituximab geassocieerd was met een significant betere PFS.1 De mediane PFS was 22,4 maanden in de tafasitamabarm (n=273) vergeleken met 13,9 maanden in de placeboarm (HR 0,43; 95% BI 0,32-0,58; p<0,0001). “Het PFS-voordeel van tafasitamab was ook aanwezig in alle geanalyseerde subgroepen, waaronder patiënten met wel of geen progressieve ziekte binnen 24 maanden, patiënten die eerder refractair waren voor anti-CD20-antilichamen en patiënten die eerder waren behandeld met één of meerdere lijnen”, aldus Marek Trnĕný.
Door de toevoeging van tafasitamab aan lenalidomide en rituximab verbeterde het percentage patiënten met een complete respons volgens PET-scans van 39,8 naar 49,4% (OR 1,5; 95% BI 1,04-2,13; p=0,0286) en het objectieve responspercentage van 72,4 naar 83,5% (OR 2,0; 95% BI 1,30-3,02; p=0,0014).
Vergelijkbare toxiciteit
De toxiciteit van beide behandelingen was over het algemeen vergelijkbaar. Trnĕný: “In de tafasitamabarm kwamen diarree (37,6 versus 28,3% in de placeboarm), COVID-19 (31,4 versus 23,5%) en vermoeidheid (21,2 versus 15,8%) vaker voor, maar de incidentie van de andere bijwerkingen was vergelijkbaar in beide armen. Ook de incidentie van bijwerkingen van graad 3 of 4 kwam overeen in beide armen. In de tafasitamabarm kwamen alleen pneumonie (8,4 versus 5,1% in de placeboarm), COVID-19 (5,8 versus 2,2%) en COVID-19-gerelateerde pneumonie van graad 3 of 4 (4,7 versus 1,1%) vaker voor. Tussen de armen was er geen verschil in het percentage patiënten bij wie de behandeling wegens bijwerkingen moest worden gestopt of onderbroken of de dosering moest worden verlaagd.”
Referentie
1. Trnĕný M, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr S230.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 2