Het toevoegen van polatuzumab vedotin (pola) aan rituximab-gemcitabine-oxaliplatine (R-GemOx) verbetert de uitkomsten van patiënten met gerecidiveerd/refractair diffuus grootcellig B-cellymfoom. Dit blijkt uit de resultaten van de fase 3-POLARGO-studie. “We zagen een afname van 40% in het relatieve risico op overlijden met pola-R-GemOx versus R-GemOx”, zei dr. Matthew Matasar (New Brunswick, Verenigde Staten) tijdens het EHA2025 Congress.
Polatuzumab vedotin (pola) is een antilichaam-geneesmiddelconjugaat gericht tegen CD79b op maligne B-cellen. Het middel is goedgekeurd voor de eerstelijnsbehandeling van patiënten met diffuus grootcellig B-cellymfoom DLBCL en bij gerecidiveerd/refractair (R/R) DLBCL in combinatie met bendamustine en rituximab. In de fase 3-POLARGO-studie is pola-R-GemOx onderzocht versus R-GemOx bij patiënten met R/R DLBCL die niet in aanmerking kwamen voor een transplantatie.1 Na een run-in met 15 patiënten om de veiligheid van pola-R-GemOx te bevestigen, zijn 255 patiënten 1:1 gerandomiseerd naar pola-R-GemOx of R-GemOx. Beide regimes werden gegeven in acht driewekelijkse cycli. De primaire uitkomstmaat was de algehele overleving (OS).
Significant betere OS en PFS
De primaire uitkomstmaat van de studie werd behaald, zei Matthew Matasar. “De OS verbeterde significant door het toevoegen van pola aan R-GemOx (HR 0,60; 95% BI 0,43-0,83; p=0,0017). Dit resulteerde in een afname van 40% in het relatieve risico op overlijden.” De mediane OS was 12,5 maanden met R-GemOx en 19,5 maanden met pola-R-GemOx. De waarschijnlijkheid om na 24 maanden nog in leven te zijn was respectievelijk 33,2 versus 44,0%. Ook rapporteerde Matasar een significante verbetering van de progressievrije overleving (PFS; HR 0,37; 95% BI 0,27-0,51; p<0,0001). De mediane PFS nam toe van 2,7 maanden met R-GemOx naar 7,4 maanden met pola-R-GemOx. “We zagen tevens een verdubbeling van het objectieve responspercentage door de toevoeging van pola”, zei Matasar. Dit was 24,6% met R-GemOx versus 52,7% met pola-R-GemOx.
Perifere neuropathie
Patiënten die behandeld werden met R-GemOx hadden vaker een volgende therapie nodig (65,1%) dan patiënten die pola-R-GemOx ontvingen (45,7%). Verder liet Matasar zien dat patiënten in de pola-R-GemOx-groep mediaan 7,5 cycli hadden ontvangen, terwijl dit mediaan vier was in de R-GemOx-groep. Matasar: “Met dit hogere aantal cycli zien we ook meer ongewenste voorvallen (AE’s) die leidden tot het staken van de behandeling met pola-R-GemOx (23,4 versus 8,0%), meer dosisreducties (24,2 versus 11,2%) en meer graad 5-AE’s (11,7 versus 4,0%). Dit laatste was voornamelijk wegens infecties, en dan met name COVID-19.” Daarnaast werden meer trombocytopenieën gerapporteerd met pola-R-GemOx en meer levertoxiciteit. “Er waren ook wat zorgen rond het optreden van perifere neuropathie vanwege de overlappende toxiciteitsprofielen van pola en oxaliplatine. We zagen inderdaad meer perifere neuropathie met pola-R-GemOx, veelal graad 1 of 2, maar bij ongeveer de helft van de patiënten was dit bij het sluiten van de studie verbeterd of geheel verdwenen.”
Matasar concludeerde dat een behandeling met pola-R-GemOx de uitkomsten van patiënten met R/R DLBCL in de POLARGO-studie significant verbeterde. “Dit geeft clinici mogelijk een nieuwe behandeloptie voor patiënten met R/R DLBCL.”
Referentie
1. Matasar M, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr S101.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 2
Commentaar dr. Suzanne van Dorp, internist-hematoloog, Radboudumc, Nijmegen
Meetbare restziekte (MRD) lijkt duidelijker en eerder te kunnen worden bepaald op basis van circulerend tumor-DNA (ctDNA) dan met beeldvorming, en dit zal echt verschil gaan maken voor de diagnostiek en follow-up van grootcellige B-cellymfomen. Met data uit de HOVON 902-studie werd bij 160 patiënten ctDNA gemeten van het originele tumormateriaal en vervolgd in het bloed.1 Patiënten die op de PET-scan een complete metabole remissie hebben maar MRD-positief zijn, met meetbaar ctDNA, hebben een grotere kans op terugkeer van de ziekte. Patiënten met aanwezigheid van ziekte op de PET-scan die ook MRD-positief zijn, ontwikkelen allemaal op korte termijn een recidief. Vooral voor degenen die PET-negatief en MRD-positief zijn kan dit impact hebben voor een eventuele vervolgbehandeling, bijvoorbeeld door verdere intensivering. Momenteel zijn verschillende methoden in gebruik voor de bepaling van ctDNA, waardoor de uitkomsten kunnen variëren. Harmonisatie is dus nodig voor een eventuele toepassing in de praktijk.
Bij patiënten met een hodgkinlymfoom blijkt thymus and activation regulated chemokine (TARC) een goede voorspeller te zijn voor de diepte van remissie. In de COBRA-studie werd bij mensen met een positieve eerste PET-scan de behandeling geïntensiveerd.2 Patiënten met een positieve eerste PET-scan bij wie TARC niet meer aantoonbaar was, bleken een progressievrije overleving te hebben van twee jaar. Deze uitkomsten zijn zo goed dat de vraag rijst of deze mensen niet overbehandeld zijn. De waarde van TARC en ctDNA als biomarkers zal bevestigd moeten worden met prospectieve validatie in gerandomiseerde studies, waarbij verschillende soorten behandelingen voor lymfoom mee worden genomen.
Polatuzumab vedotin is een antilichaam-geneesmiddelconjugaat dat in de POLARGO-studie werd gecombineerd met gemcitabine en oxaliplatine bij patiënten met gerecidiveerd diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL) die niet in aanmerking komen voor een autologe stamceltransplantatie.3 Dit zijn vaak wat oudere, kwetsbare mensen voor wie de behandelkeuze in de tweede lijn lastig kan zijn. Met gemcitabine-oxaliplatine was de mediane algehele overleving (OS) net twaalf maanden. De toevoeging van polatuzumab zorgde voor een duidelijke verbetering. Deze combinatie kan een goed alternatief zijn om deze mensen een langere en progressievrije overleving te geven. In de derde lijn komen deze mensen in aanmerking voor CAR-T-celtherapie, maar als ze in de tweede lijn zijn behandeld met bendamustine is de T-celfunctie zodanig verslechterd dat minstens negen maanden gewacht moet worden voordat CAR-T-cellen kunnen worden gemaakt. Gemcitabine-oxaliplatine plus polatuzumab zou een goed alternatief kunnen zijn voor bendamustine in de tweede lijn voor kwetsbare patiënten met refractair of gerecidiveerd DLBCL.
Referenties
1. Chamuleau M, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr S240.
2. Teesink S, et al. Hemasphere 2025;9(S1) abstr S229.
3. Matasar M, et al. HemaSphere 2025;9(S1): abstr S101.
In een podcast met dr. Jurjen Versluis bespreekt dr. Suzanne van Dorp naast bovenstaande studies ook real-worlddata met CAR-T-celtherapie bij grootcellig B-cellymfoom en studies met bispecifieke antilichamen bij laaggradige lymfomen. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu