Een consolidatiebehandeling met durvalumab leidt ten opzichte van placebo minder vaak tot extrathoracale progressie bij patiënten met kleincellig longcarcinoom in een beperkt stadium. Dit blijkt uit een verkennende analyse op basis van data uit de ADRIATIC-studie, waarin gekeken is naar patronen van progressie. Het percentage intrathoracale recidieven was vergelijkbaar tussen de durvalumab- en placebogroep, liet prof. dr. Suresh Senan (radiotherapeut-oncoloog, Amsterdam UMC) zien in zijn presentatie tijdens het European Lung Cancer Congress 2025.
De ADRIATIC-studie is een nog lopende, gerandomiseerde, dubbelblinde, placebogecontroleerde fase 3-studie bij patiënten met kleincellig longcarcinoom in een beperkt stadium (LS-SCLC) zonder progressie na chemoradiotherapie. In totaal zijn 730 patiënten gerandomiseerd naar een consolidatiebehandeling met durvalumab, durvalumab plus tremelimumab of placebo. De twee primaire uitkomstmaten zijn algehele overleving (OS) en progressievrije overleving (PFS).
“De geplande eerste interimanalyse liet zien dat een consolidatiebehandeling met durvalumab de OS en PFS significant verbeterde ten opzichte van placebo”, zei Suresh Senan.1 De gegevens van de groep die durvalumab plus tremelimumab ontving, zijn nog geblindeerd. Senan presenteerde een verkennende analyse naar patronen van ziekteprogressie bij patiënten in de ADRIATIC-studie die durvalumab of placebo ontvingen.2
Meer extrathoracale progressie
Een eerste progressie of overlijden werd gezien bij 52,7% van de patiënten in de durvalumabgroep en bij 63,5% van de patiënten in de placebogroep. Intrathoracale progressie, gedefinieerd als recidieven in de longen of het mediastinum, werd gerapporteerd bij respectievelijk 28,0 en 29,7% van de patiënten. Extrathoracale progressie, gedefinieerd als recidieven buiten de longen, trad op bij 18,2% van de patiënten in de durvalumabgroep en bij 25,2% in de placebogroep. Het gelijktijdig optreden van zowel intra- als extrathoracale progressie kwam minder vaak voor in de durvalumabgroep (bij 1,5% van de patiënten) dan in de placebogroep (bij 4,5%).
Profylactische schedelbestraling
De mediane tijd tot eerste intrathoracale progressie of overlijden was 37,3 maanden met durvalumab en 27,6 maanden met placebo (HR 0,82; 95% BI 0,61-1,09). De mediane tijd tot extrathoracale progressie of overlijden was in beide studiegroepen nog niet bereikt (HR 0,67; 95% BI 0,49-0,93). Nieuwe extrathoracale laesies traden met name op in de hersenen of het centrale zenuwstelsel (CNS). Hierbij hadden patiënten die zowel durvalumab als profylactische schedelbestraling ontvingen, een recidiefpercentage van 2,8%. Dit was 11,5% bij patiënten die wel durvalumab, maar geen profylactische schedelbestraling ontvingen. Daarnaast had 6,3% van de patiënten met progressie in de hersenen/CNS die placebo en profylactische schedelbestraling ontvingen een recidief, tegenover 19,5% van de patiënten die placebo zonder profylactische schedelbestraling ontvingen.
Tot slot liet Senan zien dat er een trend was naar een langere tijd tot progressie in de hersenen/CNS met durvalumab versus placebo (HR 0,64; 95% BI 0,40-1,01).
Senan concludeerde dat een consolidatiebehandeling met durvalumab bij LS-SCLC-patiënten zonder progressie na chemoradiotherapie, het optreden van extrathoracale progressie vermindert ten opzichte van placebo. “Deze resultaten ondersteunen het gebruik van een consolidatiebehandeling met durvalumab als nieuwe standaardbehandeling voor deze patiëntengroep.”
Referenties
1. Cheng Y, et al. N Engl J Med 2024;391:1313-27.
2. Senan S, et al. J Thorac Oncol 2025;20(Suppl 1):S181-2.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Oncologie Up-to-date 2025 vol 16 nummer 3
Commentaar dr. Joop de Langen, longarts, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam
Een van de studies die tijdens het European Lung Cancer Congress 2025 de aandacht trok, was de MARIPOSA. In deze studie ontvingen patiënten met gemetastaseerd niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC) en een EGFR-mutatie een eerstelijnsbehandeling met alleen osimertinib, alleen lazertinib of de combinatie van lazertinib plus amivantamab.1 In Parijs werd een update gegeven van de resultaten met een mediane follow-up van meer dan 36 maanden. Voor Nederland was deze update belangrijk. De resultaten wat betreft de progressievrije overleving lieten in een eerdere publicatie namelijk al een mooie verlenging zien van 16,6 maanden met alleen osimertinib naar 23,7 maanden met lazertinib plus amivantamab.2 Maar deze resultaten voldeden met een HR van 0,7 net niet aan de PASKWIL-criteria. In de wandelgangen werd al gemeld dat tijdens het ELCC de resultaten betreffende de algehele overleving (OS) gepresenteerd zouden worden, en dat deze zouden voldoen aan de PASKWIL-criteria. Dat bleek helaas toch anders. De OS-data waren nog niet matuur genoeg, dus voerden de onderzoekers een extrapolatie uit. Op basis hiervan is de verwachting dat de combinatie de OS met minstens twaalf maanden zal verlengen ten opzichte van alleen osimertinib. Verder bleek dat na 36 maanden 60% van de patiënten in de combinatiegroep nog in leven was, versus 51% van de patiënten in de osimertinibgroep. Deze resultaten voldoen weer net niet aan de PASKWIL-criteria. Aan de ene kant is er zeker iets te zeggen voor het feit dat een nieuwe (en dure) behandeling voldoende verschil moet laten zien met de huidige standaardzorg. Maar aan de andere kant ben ik ook erg voor gelijkheid in de zorg, niet alleen binnen Nederland, maar ook internationaal. Lazertinib plus amivantamab gaat in de ons omringende landen wel gegeven worden. Hier zouden we Europees toch iets over af moeten kunnen spreken?
Een andere studie naar een behandeling gericht tegen EGFR en MET die tijdens het ELCC gepresenteerd werd, was de SAVANNAH.3 In dit fase 2-onderzoek werd osimertinib plus savolitinib onderzocht bij patiënten met EGFR-gemuteerd, MET-geamplificeerd, gevorderd NSCLC die eerder progressie hadden op osimertinib. Het lastige is dat amplificaties en overexpressie van eiwitten continue variabelen zijn. De grens voor wanneer er sprake is van een amplificatie of overexpressie verschilt in de literatuur nogal. Daar is in deze studie ook mee gestoeid. Waar in het begin van de studie 50% van de cellen MET-immunohistochemie 3+ moest zijn, is dit later aangepast naar 90%. De drempelwaarde voor MET-amplificatie ging van vijf kopieën naar tien. En op deze hogere afkapwaarden is vervolgens de primaire analyse uitgevoerd. Die liet een mooi resultaat zien en in de fase 3-SAFFRON-studie wordt de combinatie van osimertinib en savolitinib verder onderzocht versus chemotherapie.
Tijdens het ELCC was er ook nieuws over immunotherapie bij het kleincellig longcarcinoom (SCLC). In de ADRIATIC-studie is durvalumab als consolidatiebehandeling gegeven na chemoradiotherapie bij patiënten met beperkt-stadium-SCLC.4 In zijn presentatie over deze studie ging prof. dr. Suresh Senan in op de patronen van progressie. En hoewel ik denk dat consolidatie met durvalumab de nieuwe standaardzorg voor deze patiënten gaat worden, is deze studie wel een positieve outlier. Ik zou de resultaten van de ADRIATIC graag bevestigd zien in een van de nog lopende studies met een vergelijkbare opzet.
Tot slot werd in Parijs nog een studie gepresenteerd naar de subcutane toediening van pembrolizumab.5 Patiënten met niet eerder behandeld stadium IV-NSCLC ontvingen chemotherapie plus ofwel pembrolizumab s.c. (eenmaal per zes weken 790 mg) of pembrolizumab i.v. (eenmaal per zes weken 400 mg). De resultaten van deze non-inferioriteitsstudie lieten zien dat patiënten met de subcutane toediening meer dan voldoende blootstelling hadden aan pembrolizumab. Daarnaast waren klinische uitkomstmaten vergelijkbaar tussen beide toedieningsvormen. De subcutane toediening kan een mooie oplossing zijn voor de druk op de dagbehandeling. Maar de prijsstelling gaat hierbij belangrijk zijn, aangezien de dosering bij subcutane toediening bijna twee keer hoger is dan bij intraveneuze toediening. En we moeten wel kritisch blijven. De farmaceut zorgt hiermee voor verlenging van het patent. Idealiter was de subcutane vorm samen met de intraveneuze toediening ontwikkeld en hadden we deze al veel eerder tot onze beschikking gehad.
Referenties
1. Yang JC, et al. J Thorac Oncol 2025;20(Suppl 1):S6-8.
2. Cho BC, et al. N Engl J Med 2024;391:1486-98.
3. Ahn MJ, et al. J Thorac Oncol 2025;20(Suppl 1):S4-5.
4. Senan S, et al. J Thorac Oncol 2025;20(Suppl 1):S181-2.
5. Felip E, et al. J Thorac Oncol 2025;20(Suppl 1): S12-13.
In een podcast bespreken prof. dr. ir. Koos van der Hoeven en dr. Joop de Langen naast bovenstaande studies ook de KRYSTAL-7-studie. In deze studie is een eerstelijnsbehandeling van adagrasib plus pembrolizumab onderzocht bij patiënten met gemetastaseerd NSCLC en een KRASG12C-mutatie. Klik hier om de podcast te beluisteren.