Uit de resultaten van de fase 3-IMforte-studie blijkt dat onderhoudsbehandeling met lurbinectedin plus atezolizumab vergeleken met atezolizumab-monotherapie geassocieerd is met een significant betere progressievrije en algehele overleving bij patiënten met nieuw-gediagnosticeerd, uitgebreid kleincellig longcarcinoom. Lurbinectedin verhoogde de incidentie van bijwerkingen, maar leidde zelden tot stopzetting van de behandeling. Deze resultaten werden tijdens de 2025 ASCO Annual Meeting gepresenteerd door prof. dr. Luis Paz-Ares (Madrid, Spanje).
Lurbinectedin is een alkylerend middel en transcriptieremmer die in fase 1/2-studies als combinatiebehandeling met immuuncheckpointremmers goed werd verdragen en geassocieerd was met een veelbelovende werkzaamheid bij patiënten met gerecidiveerd, uitgebreid kleincellig longcarcinoom (ES-SCLC).1,2
In de internationale, open-label, gerandomiseerde fase 3-IMforte-studie worden de werkzaamheid en veiligheid vergeleken van onderhoudsbehandeling met lurbinectedin plus atezolizumab versus atezolizumab-monotherapie bij patiënten met nieuw-gediagnosticeerd ES-SCLC die een inductiebehandeling met atezolizumab, carboplatine en etoposide hadden gekregen. De primaire uitkomstmaten waren de door een onafhankelijke beoordelingsfaciliteit (IRF) beoordeelde progressievrije overleving (PFS) en de algehele overleving (OS) vanaf randomisatie.
Betere PFS en OS
Vergeleken met onderhoudsbehandeling met atezolizumab was lurbinectedin plus atezolizumab geassocieerd met een significant betere IRF-PFS.3 “De mediane IRF-PFS nam toe van 2,1 maanden met atezolizumab tot 5,4 maanden met lurbinectedin plus atezolizumab (HR 0,54: 95% BI 0,43-0,67; p<0,0001). Dit PFS-voordeel van de combinatiebehandeling was consistent in alle geanalyseerde subgroepen. Daarnaast was ook de OS verbeterd door de toevoeging van lurbinectedin aan atezolizumab. De mediane OS was 13,2 maanden in de experimentele arm vergeleken met 10,6 maanden in de controlearm (HR 0,73; 95% BI 0,57-0,95; p=0,0174). Ook dit voordeel van de combinatiebehandeling was consistent aanwezig in alle subgroepen. Ten aanzien van de OS dient men zich te realiseren dat dit de OS vanaf de randomisatie betrof”, aldus Luis Paz-Ares. Verder was het objectieve responspercentage 19,4% met lurbinectedin plus atezolizumab versus 10,4% met atezolizumab-monotherapie.
Meer bijwerkingen
De veiligheidsanalyse liet zien dat de toevoeging van lurbinectedin aan atezolizumab leidde tot een hogere incidentie van bijwerkingen. Paz-Ares: “Behandelingsgerelateerde bijwerkingen (TRAE’s) van graad 3 of 4 kwamen voor bij 25,6% van de patiënten in de experimentele arm versus 5,8% van de patiënten in de controlearm. TRAE’s van graad 5 kwamen echter ongeveer even vaak voor in beide armen, respectievelijk bij 0,8 en 0,4% van de patiënten. Daarnaast had de toename in toxiciteit door de toevoeging van lurbinectedin aan atezolizumab geen groot effect op het percentage patiënten bij wie de behandeling wegens bijwerkingen werd gestaakt. Dit percentage was 6,2% in de experimentele arm en 3,3% in de controlearm.”
Referenties
1. Calles A, et al. J Thorac Oncol 2025, February 10. DOI:10.1016/j.jtho.2025.02.005. Online ahead of print.
2. Ponce Aix S, et al. J Clin Oncol 2025;43(16_suppl): abstr 8013.
3. Paz-Ares L, et al. J Clin Oncol 2025;43(16_suppl): abstr 8006.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer