De primaire resultaten van de neoADAURA-studie laten statistisch significant betere percentages major pathological response zien met neoadjuvante, osimertinibbevattende regimes dan met neoadjuvante chemotherapie bij resectabel stadium II-IIIB, EGFR-gemuteerd niet-kleincellig longcarcinoom. “De interimresultaten betreffende de eventvrije overleving lieten een trend naar een voordeel van osimertinib zien”, zei dr. Jamie Chaft (New York, Verenigde Staten). Zij presenteerde deze resultaten van de neoADAURA-studie tijdens de 2025 ASCO Annual Meeting.
Neoadjuvante chemotherapie en chemo-immunotherapie zijn behandelopties bij resectabel niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC), begon Jamie Chaft haar presentatie. “Maar de percentages major pathological response (MPR) met deze behandelingen zijn laag bij patiënten met een EGFR-mutatie.” In de gerandomiseerde, gecontroleerde fase 3-neoADAURA-studie werd onderzocht of een neoadjuvante behandeling met osimertinib met of zonder chemotherapie de pathologische, chirurgische en langetermijnuitkomsten bij patiënten met resectabel, stadium II-IIIB, EGFR-gemuteerd NSCLC kon verbeteren.1 In deze studie werden 358 patiënten 1:1:1 gerandomiseerd naar ofwel osimertinib plus chemotherapie (drie cycli), osimertinibmonotherapie, of placebo plus chemotherapie (drie cycli). Na chirurgie konden patiënten adjuvant behandeld worden met chemotherapie of osimertinib. De primaire uitkomstmaat van de studie was de MPR.
Diepere pathologische respons
De chirurgische behandeling kon voltooid worden bij 92% van de patiënten in de osimertinib-chemotherapiegroep, bij 97% van de patiënten in de osimertinibgroep en bij 89% van de patiënten in de chemotherapiegroep, aldus Chaft. “In alle drie de studiegroepen was een R0-resectie mogelijk bij meer dan 90% van de patiënten.”
Wat betreft de resultaten voor de primaire uitkomstmaat liet Chaft zien dat het percentage patiënten met een MPR statistisch significant hoger was met beide osimertinibbevattende regimes (26% met osimertinib plus chemotherapie en 25% met alleen osimertinib) dan met placebo plus chemotherapie (2%). Ook de diepte van de pathologische respons was beter met osimertinib. In de chemotherapiegroep had geen van de patiënten een pathologisch complete respons versus 4% met osimertinib plus chemotherapie en 9% met alleen osimertinib.
Downstaging
In beide groepen die osimertinib kregen, was er bij meer dan 50% van de patiënten met N2-ziekte op baseline sprake van downstaging. In de chemotherapiegroep was dit bij 21% van de patiënten het geval. “De resultaten wat betreft de eventvrije overleving (EFS) waren nog erg immatuur, maar lieten wel een trend naar een voordeel zien van de behandelregimes met osimertinib”, zei Chaft. “Daarnaast hadden minder patiënten met een MPR een EFS-event dan patiënten zonder MPR (2 versus 18%).”
Het veiligheidsprofiel was als verwacht voor een behandeling met osimertinib, chemotherapie of de combinatie van beide. Bijwerkingen van graad 3 of hoger kwamen niet veel voor en konden meestal worden toegeschreven aan de chemotherapie. Er werden ook weinig bijwerkingen gerapporteerd die leidden tot het staken van de behandeling.
“Gezien deze resultaten van de neoADAURA-studie denk ik dat een neoadjuvante behandeling met osimertinib, met of zonder chemotherapie, overwogen moet worden bij patiënten met resectabel, EGFR-gemuteerd NSCLC bij wie een neoadjuvante behandeling is aangewezen”, besloot Chaft.
De resultaten van de neoADAURA-studie werden tijdens het congres tevens gepubliceerd in het Journal of Clinical Oncology.2
Referenties
1. Chaft JE, et al. J Clin Oncol 2025;43(16_suppl): 8001.
2. He J, et al. J Clin Oncol 2025, June 2. DOI: 10.1200/JCO-25-00883. Online ahead of print.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist