Combinatie van de PARP-remmer niraparib met abirateron en prednison verbeterde de radiologische progressievrije overleving van patiënten met gemetastaseerd, castratiesensitief prostaatcarcinoom met homologe-recombinatiedeficiëntie. De eerste resultaten van de fase 3-AMPLITUDE-studie, die dr. Gerhardt Attard (Londen, Verenigd Koninkrijk) presenteerde tijdens de 2025 ASCO Annual Meeting, ondersteunen deze combinatie als nieuwe behandeloptie voor deze groep patiënten.
Voor patiënten met gemetastaseerd, castratiesensitief prostaatcarcinoom (mCSPC) bestaat de standaardbehandeling uit een androgeenreceptor-pathway inhibitor (ARPI), zoals abirateron, gecombineerd met androgeendeprivatietherapie (ADT) met of zonder docetaxel. Patiënten met mCSPC en afwijkingen in homologe-recombinatierepair (HRR)-genen hebben een slechtere prognose, zoals blijkt uit de CAPTURE-studie.1 PARP-remmers, waaronder niraparib, zijn goedgekeurd in combinatie met abirateron en prednison (AAP) voor BRCA-gemuteerd mCSPC. BRCA hoort bij de groep HRR-genen, daarom was het idee dat deze combinatie mogelijk ook zou kunnen werken bij mCSPC met HRR-afwijkingen.
Verbetering rPFS
In de AMPLITUDE-studie werden 696 patiënten met HRR-gemuteerd mCSPC gerandomiseerd tussen niraparib (200 mg QD) plus AAP of placebo plus AAP. Alle patiënten kregen daarnaast ADT. De radiologische progressievrije overleving (rPFS) vormde de primaire uitkomstmaat.
“Er was een significante reductie van het risico op radiologische progressie of overlijden door toevoeging van niraparib aan AAP van 48% in de subgroep met een BRCA-mutatie (HR 0,52; p<0,0001) en 37% in de totale populatie met een HRR-mutatie (HR 0,63; p=0,0001)”, zei Gerhardt Attard.2 Dit effect was over het algemeen consistent in alle subgroepen.
Toevoeging van niraparib zorgde ook voor een significante en klinisch relevante verbetering van de tijd tot symptomatische progressie ten opzichte van placebo, zowel in de groep met een BRCA-mutatie (HR 0,44; p=0,0001) als in de totale groep met een HRR-mutatie (HR 0,50; p<0,0001). De algehele overleving was ten tijde van deze eerste analyse nog niet matuur, maar schattingen laten een trend tot verbetering zien met niraparib.
Beperkte toename toxiciteit
Behandelingsgerelateerde bijwerkingen van graad 3-4 kwamen vaker voor in de niraparibarm dan in de placeboarm (75% versus 59%). In de placeboarm stopte 10% van de patiënten met de behandeling vanwege behandelingsgerelateerde bijwerkingen, in de niraparibarm 15%. “Een verschil van maar 5%”, benadrukte Attard. Het veiligheidsprofiel van niraparib + AAP was vergelijkbaar met wat eerder werd gezien met deze combinatie in de MAGNITUDE-studie.3
Attard concludeerde: “Deze resultaten ondersteunen het eerder testen van patiënten met mCSPC op genetische afwijkingen, en in geval van HRR-mutaties de voor- en nadelen van deze combinatie te bespreken ten aanzien van verhoogde toxiciteit versus een significante verlenging van de tijd tot ziekteprogressie.”
Referenties
1. Olmos D, et al. J Clin Oncol 2025;43(16_suppl): abstr 5094.
2. Attard G, et al. J Clin Oncol 2025;43(17_suppl): abstr LBA5006.
3. Chi KN, et al. J Clin Oncol 2023;41:3339-51.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 2
Commentaar prof. dr. André Bergman, internist-oncoloog, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam
De schatting is dat er bij 15 tot 20% van de patiënten met prostaatkanker sprake is van homologe-recombinatiedeficiëntie (HRD). In de fase 3-AMPLITUDE-studie is onderzocht of het toevoegen van de PARP-remmer niraparib aan abirateron plus prednison van meerwaarde is bij patiënten met gemetastaseerd, castratiesensitief prostaatcarcinoom met HRD.1 Dit was een vrij grote studie met 696 patiënten die werden gerandomiseerd tussen niraparib plus abirateron/prednison of alleen abirateron/prednison. De primaire uitkomstmaat was de radiologische progressievrije overleving (rPFS). Deze was beter in de combinatiearm (HR 0,63), een mooi resultaat. Bij de vooraf gespecificeerde subgroep van patiënten met een BRCA1/2-mutatie was de HR zelfs 0,52.
Tijdens het ASCO-congres werd ook een fase 3-studie gepresenteerd naar een vaccinatie voor patiënten met nieuw-gediagnosticeerd intermediair- of hoogrisico, gelokaliseerd prostaatcarcinoom.2 Zij kregen een replicatiedeficiënt adenovirus (CAN-2409) in de prostaat gespoten. Dit virus codeert voor het HSV-tk-gen dat, in combinatie met de prodrug valaciclovir, immunogene celdood tot gevolg heeft. De theorie is dat er vervolgens immunisatie tegen de tumorantigenen optreedt, wat kan leiden tot langdurige ziektecontrole. In deze studie werden 745 patiënten geïncludeerd en 2:1 gerandomiseerd naar drie injecties met CAN-2409 of placebo, elk gevolgd door valaciclovir gedurende veertien dagen. Tevens ontvingen de patiënten uitwendige bestraling met of zonder androgeendeprivatietherapie. De primaire uitkomstmaat was de ziektevrije overleving. De studie was positief met een HR van 0,7. Bovendien was het veiligheidsprofiel gunstig; er werden nauwelijks meer ernstige bijwerkingen gerapporteerd in de experimentele groep ten opzichte van de placebogroep. Al met al opmerkelijke resultaten voor deze nieuwe behandeling. Ik denk echter niet dat de vaccinatie meteen geïmplementeerd zal worden. Zo staan er nog meerdere vragen open: welke patiëntengroep heeft eigenlijk baat bij deze behandeling, werkt de behandeling zoals we denken, heeft de therapie nog impact op andere behandelingen, en moeten deze resultaten niet nog verder bevestigd worden? Verdere follow-up zal zeker nodig zijn.
Tot slot de BULLSEYE-studie. Een mooie Nederlandse studie waarin gekeken is naar het vroeg geven van lutetium-177 ([177Lu])Lu-PSMA-617 bij patiënten met hoogrisico, hormoongevoelig prostaatcarcinoom.3 Dit zijn patiënten met net te veel metastaserecidieven voor een oligobenadering, maar te weinig voor het starten van een testosteronverlagende behandeling. De BULLSEYE betrof een kleine cohortstudie en hoewel we op dit moment nog weinig kunnen zeggen over de effectiviteit van de behandeling met [177Lu]Lu-PSMA-617 in deze setting, vond ik de PSA-responsen indrukwekkend. Ik denk zeker dat deze behandeloptie verder onderzocht moet worden.
Referenties
1. Attard G, et al. J Clin Oncol 2025;43(17_suppl): abstr LBA5006.
2. DeWeese TL, et al. J Clin Oncol 2025;43(16_suppl): abstr 5000.
3. Privé B, et al. J Clin Oncol 2025;43(16_suppl): abstr 5009.
In een podcast behandelen prof. dr. ir. Koos van der Hoeven en prof. dr. André Bergman naast bovenstaande studies ook de Metacure- en EVOLUTION-studie. Tevens gaan zij kort in op de groep van patiënten met aggressive variant prostate cancer en bespreken zij de resultaten van de COMRADE-studie. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts