Uit de resultaten van de fase 3-CASSANDRA-studie blijkt dat neoadjuvante behandeling met PAXG vergeleken met mFOLFIRINOX geassocieerd is met een significant betere eventvrije overleving en vergelijkbare toxiciteit bij patiënten met resectabel ductaal adenocarcinoom van de pancreas. Daarnaast verbeterden onder andere de ziektecontrole, de CA19-9-respons en het pathologische stadium, zo bleek tijdens de 2025 ASCO Annual Meeting uit de presentatie van prof. dr. Michele Reni (Milaan, Italië).
In de gerandomiseerde fase 3-CASSANDRA/PACT-21-studie wordt de uitkomst onderzocht van neoadjuvante chemotherapie met PAXG versus mFOLFIRINOX bij patiënten met een (borderline) resectabel ductaal adenocarcinoom van de pancreas (PDAC) van stadium I tot en met III.1 De neoadjuvante chemotherapie werd gedurende vier maanden gegeven. Als hierna geen sprake was van progressieve ziekte of beperkende toxiciteit, werden de patiënten opnieuw gerandomiseerd, deze keer naar dezelfde neoadjuvante chemotherapie gedurende twee maanden gevolgd door chirurgie dan wel chirurgie gevolgd door twee maanden adjuvante chemotherapie van hetzelfde regime als de neoadjuvante chemotherapie. De primaire uitkomstmaat is de eventvrije overleving (EFS) in de intention-to-treat (ITT)-populatie.
Betere EFS
Na een mediane follow-up van 24,5 maanden in de PAXG-arm en 26,0 maanden in de mFOLFIRINOX-arm bleek dat in de ITT-populatie PAXG (n=132) vergeleken met mFOLFIRINOX (n=128) geassocieerd was met een significant betere EFS.1 “De mediane EFS was 16,0 maanden met PAXG vergeleken met 10,2 maanden met mFOLFIRINOX (HR 0,64; 95% BI 0,48-0,86; p=0,003). De driejaars-EFS nam toe van 13% met mFOLFIRINOX naar 31% met PAXG”, vertelde Michele Reni. De subgroepanalyse liet zien dat het EFS-voordeel van PAXG aanwezig was in alle subgroepen, met als uitzondering de kleine subgroep (n=20) met een Karnofsky-prestatiestatus <90. Bij patiënten met een resectabel PDAC was de driejaars-EFS 41% met PAXG versus 22% met mFOLFIRINOX en bij patiënten met borderline resectabel PDAC respectievelijk 19 en 9%.
Andere verbeteringen
De resultaten betreffende de algehele overleving (OS) waren nog niet matuur, maar volgden het patroon van de EFS-resultaten. De driejaars-OS was 51% in de PAXG-arm vergeleken met 40% in de mFOLFIRINOX-arm. Verder was PAXG versus mFOLFIRINOX geassocieerd met een significant betere ziektecontrole, CA19-9- en pathologische respons, een hoger percentage kliernegatieve patiënten en een lagere incidentie van intra- of postoperatieve metastasen.
Vergelijkbare toxiciteit
“Tussen beide studiearmen werden geen significante verschillen geconstateerd in de incidentie van bijwerkingen, met als uitzondering neutropenie van graad 3 of 4, wat voorkwam bij 42% van de patiënten in de PAXG-arm versus 29% van de patiënten in de mFOLFIRINOX-arm. Ook ten aanzien van de kwaliteit van leven (QoL) was er geen significant verschil tussen beide studiearmen. Wegens progressieve ziekte of toxiciteit werd de QoL-vragenlijst echter significant minder vaak geretourneerd door de patiënten in de PAXG-arm dan door de patiënten in de mFOLFIRINOX-arm”, aldus Reni.
Referentie
1. Reni M, et al. J Clin Oncol 2025;43(17_suppl): abstr 4004.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 2