Een neoadjuvant regime van een taxaan plus trastuzumab en pertuzumab zónder carboplatine blijkt non-inferieur aan dit schema mét carboplatine bij patiënten met vroege HER2-positieve borstkanker. Dit blijkt uit de resultaten van de fase 3-neoCARHP-studie, die dr. Kun Wang (Guangzhou, China) tijdens de 2025 ASCO Annual Meeting presenteerde.
Voor patiënten met stadium II-III, HER2-positieve borstkanker wordt een neoadjuvante behandeling aanbevolen, zei Kun Wang. “En verschillende internationale richtlijnen adviseren daarbij een regime van een taxaan plus carboplatine, trastuzumab en pertuzumab (TCbHP).” Carboplatine verhoogt echter het risico op toxiciteit en de vraag of het weglaten van carboplatine als de-escalatiestrategie mogelijk is, leeft al langer. Daarbij liet de BCIRG 007-studie bij patiënten met gemetastaseerde HER2-positieve borstkanker zien dat het toevoegen van carboplatine aan docetaxel en trastuzumab de responspercentages niet verbeterde.1 Wang: “Met de neoCARHP-studie wilden we de werkzaamheid en veiligheid van een gede-escaleerd neoadjuvant behandelschema van een taxaan plus trastuzumab en pertuzumab (THP) versus TCbHP evalueren bij patiënten met vroege HER2-positieve borstkanker.”2
THP non-inferieur
In de neoCARHP-studie werden 774 patiënten 1:1 gerandomiseerd naar een neoadjuvante behandeling van zes drieweekse cycli THP versus zes drieweekse cycli TCbHP, gevolgd door chirurgie. De primaire uitkomstmaat was de pathologisch complete respons (pCR). THP werd als non-inferieur beschouwd als de ondergrens van het tweezijdige 95% betrouwbaarheidsinterval voor het pCR-verschil, hoger was dan -10%, lichtte Wang toe.
Uit de resultaten bleek dat 64,1% van de patiënten in de THP-groep en 65,9% van de patiënten in de TCbHP-groep een pCR behaalde (verschil -1,8%; 95% BI -8,5 tot 5,0; p=0,0089). “Hiermee was THP non-inferieur aan TCbHP”, zei Wang. Voor patiënten met een hormoonreceptor (HR)-negatieve status waren de pCR-percentages 78,2% in de THP-groep en 77,8% in de TCbHP-groep (verschil 0,4; 95% BI -9,2 tot 10,0). En voor patiënten met een HR-positieve status waren de pCR-percentages respectievelijk 55,8 en 58,8% (verschil -3,0; 95% BI -11,7 tot 5,9). In totaal behaalde 91,9% van de patiënten in de THP-groep en 94,8% in de TCbHP-groep een complete of partiële respons.
Minder bijwerkingen
“Het THP-regime was geassocieerd met minder bijwerkingen van graad 3 of hoger en minder hematologische bijwerkingen dan het TCbHP-regime”, zei Wang. “De incidentie van neutropenie van graad 3 of 4 was 6,8% in de THP-groep en 16,4% in de TCbHP-groep.” Graad 3/4-trombocytopenie werd gerapporteerd bij respectievelijk 0,3 en 4,2% van de patiënten en graad 3/4-anemie bij respectievelijk 2,1 en 6,6%. Van de niet-hematologische bijwerkingen (alle graden) kwamen misselijkheid, braken en een verhoogd creatininegehalte minder vaak voor met THP dan met TCbHP.
Wang concludeerde dat het pCR-percentage met THP non-inferieur was aan het pCR-percentage met TCbHP. “Het weglaten van carboplatine zou een werkzame, de-escalerende, neoadjuvante strategie kunnen zijn in aanwezigheid van duale HER2-blokkade voor patiënten met vroege HER2-positieve borstkanker.”
Referenties
1. Valero V, et al. J Clin Oncol 2011;29:149-56.
2. Wang K, et al. J Clin Oncol 2025;43(17_suppl):abstr LBA500.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Commentaar prof. dr. Agnes Jager, internist-oncoloog, Erasmus MC, Rotterdam
Tijdens de 2025 ASCO Annual Meeting werden de primaire resultaten van de ASCENT-04/KEYNOTE-D19-studie als practice-changing gepresenteerd.1 Of dat echt zo is, vraag ik me af. In deze studie kregen patiënten met gevorderde, PD-L1-positieve, triple-negatieve borstkanker (TNBC) een eerstelijnsbehandeling met ofwel sacituzumab govitecan (SG) plus pembrolizumab of chemotherapie plus pembrolizumab. Na een mediane follow-up van veertien maanden was de progressievrije overleving (PFS) beter met SG plus pembrolizumab (11,2 maanden) ten opzichte van chemotherapie plus pembrolizumab (7,8 maanden; HR 0,65). Deze resultaten voldoen niet aan de PASKWIL-criteria. De preliminaire resultaten wat betreft de algehele overleving (OS) lieten een HR van 0,89 zien, maar bij 81% van de patiënten in de chemotherapiegroep was er bij progressie sprake van cross-over naar de SG-groep. De verwachting is daarom dat er uiteindelijk geen groot OS-verschil tussen beide groepen gevonden zal worden. SG is in latere lijn immers buitengewoon effectief gebleken. Voor Nederland zullen deze resultaten mijns inziens dan ook van beperkte betekenis zijn. Wellicht dat de combinatie van SG plus pembrolizumab nog meerwaarde heeft voor patiënten die tussen zes en twaalf maanden na de primaire behandeling al progressie hebben. Dit is een groep met een heel ongunstige prognose, waarvoor we eigenlijk geen reële opties hebben anders dan capecitabine. Hopelijk kunnen we SG plus pembrolizumab op termijn wel inzetten bij deze patiëntengroep. Een openstaande vraag is dan nog wel wat de meerwaarde is van pembrolizumab, vooral voor patiënten die in neoadjuvante setting al pembrolizumab gehad hebben.
Een andere belangrijke studie was de gerandomiseerde DESTINY-Breast09-studie, waarin de eerstelijnsbehandeling met trastuzumab deruxtecan (T-DXd) plus pertuzumab vergeleken werd met de standaardcombinatie taxaan plus trastuzumab en pertuzumab (THP) bij patiënten met gemetastaseerde, HER2-positieve borstkanker.2 De mediane follow-up was 29 maanden en de resultaten waren overtuigend positief voor de primaire uitkomstmaat PFS. De verbetering van 26,9 maanden met THP naar 40,7 maanden met T-DXd plus pertuzumab was statistisch significant en klinisch relevant (HR 0,56; 95% BI 0,44-0,71; p<0,00001). De belangrijkste twee commentaren op de studie zijn dat T-DXd werd gegeven tot progressie, terwijl de taxaan in de vergelijkende arm maar zes kuren gegeven werd, en dat slechts 20% van de patiënten in de tweede behandellijn T-DXd aangeboden kreeg. Dat geeft te denken, evenals de toxiciteit van de behandeling. Patiënten die bijvoorbeeld interstitiële pneumonitis ontwikkelen, kunnen in latere lijnen wellicht geen ander antilichaam-geneesmiddelconjugaat meer krijgen. Dus ondanks deze mooie resultaten denk ik dat we goed moeten nadenken of we dit regime wel per se in eerste lijn moeten willen inzetten.
Tot slot was er een zeer elegante studie naar een de-escalatiestrategie: de neoCARHP-studie. In deze non-inferioriteitsstudie is bij patiënten met HER2-positieve borstkanker onderzocht wat het percentage pathologisch complete responsen was bij een neoadjuvante behandeling met zes kuren van een taxaan plus trastuzumab en pertuzumab (THP) met of zonder carboplatine.3 De taxaan werd in een driewekelijks schema gegeven, daar waar veel landen de voorkeur geven aan wekelijks paclitaxel. De pathologisch complete respons van de groep die THP kreeg, bleek non-inferieur aan de respons van de groep die THP plus carboplatine kreeg. Een mooie studie die allereerst laat zien dat patiënten niet altijd negen kuren nodig hebben, wat we in Nederland al weten vanuit de TRAIN-studies. En daarnaast blijkt carboplatine dus ook weinig toe te voegen aan de behandeling. Voor patiënten met stadium II-borstkanker zijn dit wat mij betreft resultaten die onze dagelijkse praktijk kunnen veranderen. Voor patiënten met stadium III-ziekte ben ik iets terughoudender, omdat deze groep ondervertegenwoordigd was in deze studie. Maar als je al enige reden hebt om carboplatine niet te geven bij iemand met HER2-positieve borstkanker, kun je dat op basis van de resultaten van deze studie doen.
Referenties
1. Tolaney S, et al. J Clin Oncol 2025;43(17_suppl): abstr LBA109.
2. Tolaney S, et al. J Clin Oncol 2025;43(17_suppl): abstr LBA1008.
3. Wang K, et al. J Clin Oncol 2025;43(17_suppl): abstr LBA500.
In een podcast gaan prof. dr. ir. Koos van der Hoeven en prof. dr. Agnes Jager naast bovenstaande studies ook in op de VERITAC-2-, de INAVO120- en de FINER-studie. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts