Tweedelijnsbehandeling met ipatasertib en fulvestrant resulteerde in een statistisch significante en klinisch relevante verbetering van de mediane progressievrije overleving bij patiënten met ER-positief/HER2-negatief, gemetastaseerd mammacarcinoom. “Deze combinatie biedt een potentiële behandeloptie direct na progressie op een CDK4/6-remmer en een aromataseremmer”, aldus dr. Stephen Chia (Vancouver, Canada) tijdens de 2025 ASCO Annual Meeting.
Behandeling met een CDK4/6-remmer en aromataseremmer behoort tot de standaardopties in de eerste lijn voor patiënten met ER-positief/HER2-negatief, gemetastaseerd mammacarcinoom (ER+/HER2- mBC). Bij de meerderheid ontstaat na verloop van tijd resistentie, vaak door PIK3CA-activerende mutaties of verlies van PTEN-functie. Ipatasertib is gericht tegen AKT, downstream van PIK3CA en PTEN.
CCTG MA.40/FINER-studie
In de gerandomiseerde fase 3-CCTG MA.40/FINER-studie werd tweedelijnsbehandeling met ipatasertib en fulvestrant vergeleken met placebo en fulvestrant.1 In deze studie werden 250 patiënten geïncludeerd met stadium IV-, ER+/HER2- mBC direct na progressie op eerstelijnsbehandeling met een CDK4/6-remmer en een aromataseremmer. “Resistentiemechanismen waartegen doelgerichte middelen bestaan komen vaak voor, en kunnen efficiënt worden vastgesteld met behulp van ctDNA-onderzoek”, aldus Stephen Chia.
De progressievrije overleving (PFS) in de intention-to-treat (ITT)-populatie vormde de primaire uitkomstmaat. De studie liep van 2021 tot 2024 in Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. Meer dan 90% van de patiënten was langer dan zes maanden behandeld met een CDK4/6-remmer. Ongeveer 45% van de patiënten vertoonde een mutatie in de AKT-route.
Verbeterde PFS
“De studie bereikte haar primaire uitkomstmaat”, vertelde Chia. In de ITT-populatie verbeterde de mediane PFS van 1,9 maanden in de placeboarm naar 5,3 maanden in de ipatasertibarm (HR 0,61; p=0,0007). Het PFS-voordeel was zichtbaar in alle subgroepen. Alleen patiënten met primaire endocriene resistentie leken geen voordeel te hebben, maar vanwege het kleine aantal patiënten kunnen hier geen conclusies aan verbonden worden.
In de populatie met een mutatie in de AKT-route verbeterde de mediane PFS eveneens, van 1,9 maanden in de placeboarm naar 5,5 maanden in de ipatasertibarm (HR 0,47; p=0,0005).
“In onze studie had ongeveer de helft van de patiënten één of meerdere ESR1-mutaties, en zoals verwacht hadden deze patiënten een slechtere prognose”, zei Chia. Dit verklaart mogelijk de matige resultaten van de controlearm in deze studie. Ook bij patiënten met een ESR1-mutatie verbeterde behandeling met ipatasertib de mediane PFS ten opzichte van placebo.
Tot nu toe is er nog geen verschil in algehele overleving, maar die data zijn nog immatuur.
Vaak diarree
De bijwerkingen die mogelijk toe te schrijven zijn aan ipatasertib zijn vooral gastro-intestinaal van aard. Diarree kwam bij 87% van de patiënten voor, waarvan graad 3 bij 16%. Ook misselijkheid, overgeven en anorexie kwamen vaker voor in de ipatasertibarm dan in de placeboarm. Er was een kleine toename van hyperglykemie in de ipatasertibarm (44% versus 33% in de placeboarm), voornamelijk van graad 1. In de ipatasertibarm stopte 6,5% van de patiënten met de behandeling vanwege bijwerkingen, ten opzichte van 0,8% in de placeboarm. “De combinatie van ipatasertib en fulvestrant is over het algemeen goed te verdragen en biedt een potentiële onmiddellijke behandeloptie na progressie op een CDK4/6- en aromataseremmer.”
Referentie
1. Chia S, et al. J Clin Oncol 2025;43(17_suppl): abstr LBA1005.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist