Een verkennende analyse van de NIAGARA-studie (naar de toevoeging van durvalumab aan neoadjuvante chemotherapie bij spierinvasief blaascarcinoom) laat zien dat de status van circulerend tumor (ct)-DNA sterk prognostisch is voor de uitkomsten van patiënten. Prof. dr. Thomas Powles (Londen, Verenigd Koninkrijk) presenteerde deze resultaten tijdens de 2025 ASCO Annual Meeting. “Klaring van het ctDNA na neoadjuvante behandeling was geassocieerd met een betere eventvrije overleving. Daarbij leidde het toevoegen van durvalumab aan neoadjuvante chemotherapie tot een toename van het aantal ctDNA-negatieve patiënten van 13%-punt.”
In de gerandomiseerde fase 3-studie NIAGARA werden 1.063 patiënten met spierinvasief blaascarcinoom (MIBC) 1:1 gerandomiseerd naar een neoadjuvante behandeling met durvalumab plus chemotherapie gevolgd door radicale cystectomie en adjuvant durvalumab (de durvalumabgroep) of neoadjuvante chemotherapie gevolgd door alleen radicale cystectomie (de controlegroep). De resultaten lieten zien dat de perioperatieve behandeling met durvalumab leidde tot een significant betere eventvrije overleving (EFS) en meer complete responsen (pCR’s).1 “Er is een toenemende interesse voor de prognostische en predictieve waarde van ctDNA”, zei Thomas Powles. “In de neoadjuvante setting is hier echter nog weinig informatie over.” Hij presenteerde een verkennende ctDNA-analyse van de NIAGARA-studie.2
Na cystectomie 9% ctDNA-positief
In de NIAGARA-studie werd op drie verschillende momenten de ctDNA-status bepaald: op baseline (n=462), na neoadjuvante behandeling en voorafgaand aan cystectomie (n=422), en na cystectomie (n=345). Powles: “Op baseline was 57% van de patiënten ctDNA-positief, voorafgaand aan de cystectomie was dit nog 22% en na cystectomie was dit slechts 9%.”
Verder bleek dat de EFS beter was bij patiënten die op baseline ctDNA-negatief waren dan bij patiënten die ctDNA-positief waren (HR 0,42; 95% BI 0,30-0,60). “Maar ook in de ctDNA-negatieve groep zien we dat ongeveer 20% van de patiënten na drie jaar een recidief had”, aldus Powles. Patiënten in de durvalumabgroep hadden een betere EFS dan patiënten in de controlegroep, ongeacht hun ctDNA-status op baseline.
ctDNA-klaring
In totaal had 70% van de patiënten in de durvalumabgroep klaring van het ctDNA voorafgaand aan cystectomie, versus 57% van de patiënten in de controlegroep. De EFS was beter bij patiënten met klaring van het ctDNA dan bij patiënten die aanhoudend ctDNA-positief waren (HR 0,32; 95% BI 0,22-0,47). Daarnaast behaalde 51% van de patiënten die ctDNA-negatief waren een pCR. Dit was het geval bij slechts 3% de patiënten die ctDNA-positief waren.
Ook na cystectomie bleek de ctDNA-status prognostisch: de ziektevrije overleving (DFS) was flink beter bij ctDNA-negatieve patiënten dan bij ctDNA-positieve patiënten (HR 0,09; 95% BI 0,05-0,18). De DFS was nog weer iets beter bij patiënten die zowel ctDNA-negatief waren als een behandeling met durvalumab hadden ontvangen. Powles liet verder zien dat de DFS bij een ctDNA-negatieve status beter was dan bij een ctDNA-positieve status, ongeacht of de ctDNA-negatieve patiënten een pCR behaalden. Tot slot bleken ctDNA-negatieve patiënten, met of zonder een pCR, voordeel te hebben van een behandeling met durvalumab.
Powles concludeerde: “Deze resultaten van NIAGARA laten zien dat ctDNA een mogelijk nieuwe prognostische biomarker is voor patiënten met MIBC.”
Referenties
1. Powles T, et al. N Engl J Med 2024;391:1773-86.
2. Powles T, et al. J Clin Oncol 2025;43(16_suppl): abstr 4503.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist