Bij patiënten met resectabel, gevorderd ovariumcarcinoom resulteert upfront cytoreductieve chirurgie in verbetering van de progressievrije overleving in vergelijking met interval cytoreductieve chirurgie, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van leven op korte en lange termijn. Dat blijkt uit de TRUST-studie, waarvan dr. Sven Mahner (München, Duitsland) de resultaten presenteerde tijdens de 2025 ASCO Annual Meeting.
De optimale timing van chirurgie bij patiënten met resectabel, gevorderd ovariumcarcinoom is onderwerp van discussie. “De gerandomiseerde fase 3-TRUST-studie is ontworpen om de optimale timing van maximale cytoreductieve chirurgie te evalueren bij patiënten met resectabel, gevorderd ovariumcarcinoom die voldoende fit zijn om radicale chirurgie te ondergaan, en die behandeld werden in centra met gedefinieerde chirurgische kwaliteitscriteria”, vertelde Sven Mahner.1
TRUST-studie
Om deel te kunnen nemen aan de TRUST-studie moesten de centra een accreditatie verkrijgen, waaronder een on site kwaliteitsbeoordeling. Patiënten met stadium IIIB-IVB, resectabel ovariumcarcinoom werden gerandomiseerd tussen primaire cytoreductieve chirurgie gevolgd door chemotherapie (PCS; n=345), of drie cycli neoadjuvante chemotherapie gevolgd door interval cytoreductieve chirurgie en daarna chemotherapie (NACT-ICS; n=343). De primaire uitkomstmaat was de algehele overleving (OS).
“In beide armen was de chirurgische inspanning zeer hoog”, aldus Mahner. Dit resulteerde in hoge percentages complete resecties: 70% in de PCS-groep en 85% in de NACT-ICS-groep. Meer dan 90% van de patiënten kreeg de aanbevolen chemotherapie met platina en een taxaan.
Verbetering PFS
De mediane progressievrije overleving (PFS) na PCS was 22,1 maanden versus 19,7 maanden na NACT-ICS (HR 0,80; p=0,018). Het verschil in PFS bleef na verloop van tijd bestaan. “De mediane OS, de primaire uitkomstmaat, was 54,3 maanden na primaire chirurgie vergeleken met 48,3 maanden na intervalchirurgie (HR 0,89; p=0,24) en was niet significant verschillend”, zei Mahner.1
De effecten waren duidelijker in twee grote subgroepen. Bij patiënten met stadium III-ziekte was de mediane PFS 26,3 maanden na PCS en 21,4 maanden na NACT-ICS (HR 0,73; p=0,005). Vijf jaar na randomisatie was in de PCS-groep 23% van de patiënten vrij van progressie versus 11% in de NACT-ICS-groep. De mediane OS was 63,7 maanden na PCS en 53,2 maanden na NACT-ICS (HR 0,84; p=0,14). Bij patiënten met een complete resectie, de grootste subgroep in de studie, was de mediane PFS 27,9 maanden na PCS vergeleken met 21,8 maanden na NACT-ICS (HR 0,69; p=0,0009). De mediane OS was 67,0 maanden na PCS en 55,0 maanden na NACT-ICS (HR 0,80; p=0,0521). Vijf jaar na randomisatie vertoonde 26% van de patiënten in de PCS-groep geen ziekteprogressie, ten opzichte van 11% na NACT-ICS.
“De chirurgische morbiditeit was in beide armen laag, met complicaties bij 18% in de PCS-groep en 12% in de NACT-ICS-groep. In beide armen was de mortaliteit dertig dagen na de operatie minder dan 1%.” De onderzoekers zagen op geen enkel moment een verschil in de kwaliteit van leven tussen de beide armen.
Belang kwaliteitsborging
“De primaire uitkomstmaat van de studie werd niet bereikt, maar dit is de eerste gerandomiseerde fase 3-studie die een PFS-voordeel laat zien van primaire ten opzichte van interval cytoreductieve chirugie”, concludeerde Mahner. De voordelen waren gelinkt aan hoge percentages complete resecties, wat volgens hem de waarde van upfront chirurgie versterkt voor patiënten met een resectabele tumor. De hoge mate van complete cytoreductie met lage morbiditeit en mortaliteit, samen met de uitstekende PFS en OS, benadrukken het belang van programma’s voor chirurgische kwaliteitsborging.
Referentie
1. Mahner S, et al. J Clin Oncol 2025;43(17_suppl): abstr LBA5500.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 2
Commentaar dr. Inge Baas, internist-oncoloog, UMC Utrecht
Het is nog steeds niet duidelijk wat de beste debulkingstrategie is voor patiënten met stadium III-ovariumcarcinoom: primaire debulking of intervaldebulking. Ook de tijdens de 2025 ASCO Annual Meeting gepresenteerde TRUST-studie zocht een antwoord op deze vraag.1 Een interessante studie waarin patiënten met hoogrisico (stadium IIIB-IVB) ovariumcarcinoom 1:1 gerandomiseerd zijn tussen beide strategieën. De studiepopulatie bestond uitsluitend uit patiënten bij wie primaire debulking haalbaar geacht werd. De mediane progressievrije overleving (PFS) was 22,1 maanden in de primaire-debulkinggroep en 19,7 maanden in de intervaldebulkinggroep. Een minimaal verschil, met een HR van 0,80. De mediane algehele overleving (OS) was respectievelijk 54,3 versus 48,3 maanden, met een niet-significante HR van 0,89. Een belangrijk aspect van de studie was dat er geopereerd werd in gynaecologisch-oncologische centra, waarbij hoge eisen gesteld werden aan de kwaliteit van de chirurgie. In Nederland is debulkingchirurgie bij ovariumcarcinoom al sinds jaar en dag gecentraliseerd en we passen ook al primaire debulking toe bij die patiënten bij wie we dat mogelijk achten. De uitkomsten van de TRUST-studie zullen dan ook niet veel impact hebben op onze dagelijkse praktijk.
De standaardbehandeling voor patiënten met nieuw-gediagnosticeerd, lokaal gevorderd cervixcarcinoom is chemoradiotherapie. In de KEYNOTE-A18-studie is onderzocht of het toevoegen van pembrolizumab meerwaarde heeft.2 Patiënten konden geïncludeerd worden als zij FIGO 2014 stadium IB2-IIB-ziekte hadden met positieve lymfeklieren, of stadium III-IVA-ziekte ongeacht de lymfeklierstatus. Een echte hoog-risicopopulatie. Een eerdere update van deze studie (vorig jaar gepubliceerd in The Lancet) liet indrukwekkende resultaten zien met een groot overlevingsvoordeel.3 We keken dan ook reikhalzend uit naar deze update. En de positieve trend zette zich gelukkig voort. De driejaars-PFS was 64,3% in de experimentele groep en 55,6% in de controlegroep (HR 0,72). De driejaars-OS was respectievelijk 82,6 versus 74,8% (HR 0,73). Er bestonden initieel wat zorgen over het combineren van een immuuncheckpointremmer met chemoradiotherapie, vooral omdat de belangrijkste overlappende toxiciteit diarree is. Het percentage patiënten met diarree lag echter niet uitgesproken hoger in de groep die pembrolizumab plus chemoradiotherapie kreeg dan in de groep die alleen chemoradiotherapie kreeg. Er werden verder ook geen onverwachte bijwerkingen gerapporteerd. En waar het behandelschema zoals eerder onderzocht in de INTERLACE-studie lastig te vertalen was naar de Nederlandse praktijk, is dat voor het schema zoals toegepast in de KEYNOTE-A18 veel eenvoudiger, omdat de patiënten in de KEYNOTE-A18-studie wel state-of-the-art radiotherapie krijgen, vergelijkbaar met onze huidige behandeling. Ik hoop dan ook dat deze combinatie snel beschikbaar komt, al zullen we nog wel het oordeel van de NVMO-commissie BOM moeten afwachten.
Referenties
1. Mahner S, et al. J Clin Oncol 2025;43(17_suppl): abstr LBA5500.
2. Duska LR, et al. J Clin Oncol 2025;43(17_suppl): abstr LBA5504.
3. Lorusso D, et al. Lancet 2024;404:1321-32.
In een podcast bespreken prof. dr. ir. Koos van der Hoeven en dr. Inge Baas naast bovenstaande studies ook de FIRST/ENGOT-OV44-studie en een fase 2-studie naar pembrolizumab plus lenvatinib bij heldercellig ovariumcarcinoom. Tevens gaan zij kort in op de ROSELLA-studie naar de glucocorticoreceptorantagonist relacorilant bij patiënten met platinarefractair ovariumcarcinoom. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts