De resultaten van de fase 3-FIRST/ENGOT-OV44-studie laten zien dat de toevoeging van dostarlimab aan eerstelijnsbehandeling met chemotherapie en onderhoudsbehandeling met niraparib geassocieerd is met een statistisch significant, maar klinisch bescheiden voordeel in progressievrije overleving bij patiënten met gevorderd ovariumcarcinoom. Dit was de belangrijkste conclusie van de presentatie van dr. Anne-Claire Hardy-Bessard (Plérin, Frankrijk) tijdens de 2025 ASCO Annual Meeting.
In de gerandomiseerde, dubbelblinde fase 3-FIRST/ENGOT-OV44-studie wordt de meerwaarde onderzocht van de toevoeging van de PD-1-remmer dostarlimab aan eerstelijnsbehandeling met platinabevattende chemotherapie en onderhoudsbehandeling met niraparib met of zonder bevacizumab bij patiënten met lokaal gevorderd of gemetastaseerd, hooggradig ovariumcarcinoom. Hiertoe kregen de patiënten, volgens de oorspronkelijke opzet, een run-in met één cyclus chemotherapie en werden ze vervolgens 1:1:2 gerandomiseerd naar chemotherapie plus placebo gevolgd door placebo-onderhoud (placeboarm), chemotherapie plus placebo gevolgd door onderhoud met niraparib plus placebo (niraparibarm) of dostarlimab plus chemotherapie gevolgd door onderhoudsbehandeling met dostarlimab plus niraparib (dostarlimab/niraparibarm). Bij elke behandeling was de toevoeging van bevacizumab een optie.
Opzet gewijzigd
Na de registratie van PARP-remmers in de eerste lijn werd de inclusie voor de placeboarm gestopt en werden de patiënten 1:2 gerandomiseerd naar de niraparib- en de dostarlimab/niraparibarm. De primaire uitkomstmaat is de door de onderzoekers beoordeelde progressievrije overleving (PFS) in de niraparib- en de dostarlimab/niraparibarm.
Bescheiden PFS-verbetering
In de intention-to-treat (ITT)-populatie werden 385 patiënten toegewezen aan de niraparibarm en 753 patiënten aan de dostarlimab/niraparibarm.1 “Na een mediane follow-up van 53,1 maanden voldeed de FIRST-studie aan de criteria voor de primaire uitkomstmaat. De mediane PFS in de ITT-populatie bepaald door de onderzoekers was 19,2 maanden in de niraparibarm vergeleken met 20,6 maanden in de dostarlimab/niraparibarm (HR 0,85; 95% BI 0,73-0,99; p=0,0351). Hoewel dit een statistisch significant verschil is, lijkt het klinische voordeel bescheiden. In de PD-L1-positieve populatie en alle andere vooraf gedefinieerde subgroepen werden vergelijkbare resultaten gevonden. De resultaten van de algehele overleving waren 57% matuur en lieten geen significant verschil zien tussen de twee armen”, aldus Anne-Claire Hardy-Bessard.
Vergelijkbare toxiciteit
De mediane tijd van blootstelling aan de twee behandelingen was vergelijkbaar. Ook was er tijdens de chemotherapieperiode en de onderhoudsperiode geen noemenswaardig verschil in de incidentie van behandelingsgerelateerde bijwerkingen (TRAE’s). Tijdens de chemotherapieperiode kwamen TRAE’s van graad 3 of hoger voor bij 37,2% van de patiënten in de niraparibarm en 41,1% van de patiënten in de dostarlimab/niraparibarm. Tijdens de onderhoudsperiode was dit 64,7 versus 70,2%. Er werden geen nieuwe veiligheidssignalen geobserveerd. Hardy-Bessard: “Zoals verwacht was het percentage patiënten bij wie de behandeling tijdens de chemotherapie- of onderhoudsperiode wegens TRAE’s werd gestopt hoger in de dostarlimab/niraparibarm dan in de niraparibarm.”
Verder werd er tussen de twee armen geen betekenisvol verschil gevonden in patiëntgerapporteerde uitkomsten.
Referentie
1. Hardy-Bessard A-C, et al. J Clin Oncol 2025;43(17_suppl): abstr LBA5506.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer