Nieuwe resultaten van CheckMate 8HW laten zien dat eerstelijnsbehandeling met nivolumab plus ipilimumab vergeleken met chemotherapie ook na een langere follow-up geassocieerd is met een betere progressievrije overleving (PFS) bij patiënten met gemetastaseerd, microsatelliet-instabiliteit-hoog of mismatch-repairdeficiënt colorectaal carcinoom. Daarnaast waren de PFS en PFS2 beter met nivolumab plus ipilimumab versus nivolumab alleen in de eerste of latere lijn. Deze resultaten werden tijdens de 2025 ASCO Annual Meeting gepresenteerd door dr. Heinz-Josef Lenz (Los Angeles, Verenigde Staten).
CheckMate 8HW is een gerandomiseerde, open-label fase 3-studie waarin patiënten met inoperabel of gemetastaseerd microsatelliet-instabiliteit-hoog (MSI-H) of mismatch-repairdeficiënt (dMMR) colorectaal carcinoom 2:2:1 werden toegewezen aan nivolumab plus ipilimumab, nivolumab alleen of chemotherapie met of zonder doelgerichte therapie. De coprimaire uitkomstmaten van deze studie zijn de progressievrije overleving (PFS) met nivolumab plus ipilimumab vergeleken met chemotherapie als eerstelijnsbehandeling en de PFS met nivolumab plus ipilimumab vergeleken met nivolumab alleen, ongeacht eerdere systemische behandeling voor gemetastaseerde ziekte.
Uit de resultaten van de interimanalyse bleek eerder dat eerstelijnsbehandeling met nivolumab plus ipilimumab vergeleken met chemotherapie geassocieerd was met een significant betere PFS.1 Tegelijkertijd was de PFS ook significant beter met nivolumab plus ipilimumab versus nivolumab-monotherapie in de eerste of latere lijn.2 De presentatie van Heinz-Josef Lenz betrof uitgebreidere resultaten met een langere follow-up, waaronder die van de PFS en PFS2, gedefinieerd als de tijd van randomisatie tot progressie na daaropvolgende systemische therapie, start van de tweede daaropvolgende systemische therapie of overlijden.
Aanhoudend voordeel
Na een mediane follow-up van 47 maanden was eerstelijnsbehandeling met nivolumab plus ipilimumab vergeleken met chemotherapie geassocieerd met een mediane PFS van respectievelijk 54,1 en 5,9 maanden (HR 0,21; 95% BI 0,14-0,31).3 “De driejaars-PFS was 69% met nivolumab plus ipilimumab versus 11% met chemotherapie. De mediane PFS2 werd niet bereikt met nivolumab plus ipilimumab en was 13,3 maanden met chemotherapie. Ondanks dat 71% van de patiënten in de chemotherapiegroep overstapte op behandeling met immunotherapie, was nivolumab plus ipilimumab geassocieerd met een vermindering van 72% van het risico op overlijden of progressie na de eerste opvolgende therapie (HR 0,28; 95% BI 0,18-0,44)”, vertelde Lenz.
De mediane PFS werd niet bereikt bij patiënten die in de eerste of latere lijn behandeld werden met nivolumab plus ipilimumab en was 39,3 maanden bij patiënten die alleen nivolumab kregen (HR 0,62; 95% BI 0,48-0,81; p=0,0003). De mediane PFS2 werd in beide groepen niet bereikt, maar de driejaars-PFS2 was 80% met nivolumab plus ipilimumab versus 66% met nivolumab-monotherapie (HR 0,57; 95% BI 0,42-0,78).
“Met nivolumab plus ipilimumab werden geen nieuwe veiligheidssignalen gezien en de meeste behandelingsgerelateerde bijwerkingen met mogelijk een immunologische oorzaak kwamen in de eerste zes maanden voor”, aldus Lenz.
Referenties
1. Andre T, et al. N Engl J Med 2024;391:2014-26.
2. André T, et al. Lancet 2025;405:383-95.
3. Lenz HJ, et al. J Clin Oncol 2025;43(16_suppl): abstr 3501.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 2
Commentaar dr. Jeanine Roodhart, internist-oncoloog, UMC Utrecht
Tijdens de 2025 ASCO Annual Meeting werden weer veel interessante en soms practice-changing resultaten gepresenteerd van klinische studies naar nieuwe behandelingen bij patiënten met colorectaal carcinoom (CRC). Bijvoorbeeld van de fase 3-BREAKWATER-studie waarin eerstelijnsbehandeling met encorafenib, cetuximab (EC) en chemotherapie (mFOLFOX6) werd vergeleken met standaardzorg (SOC) bij patiënten met BRAF V600E-gemuteerd, gemetastaseerd CRC. Eerdere resultaten van deze studie lieten al zien dat EC plus mFOLFOX6 vergeleken met SOC geassocieerd was met een significant beter objectief responspercentage (ORR).1 Uit de nieuwe resultaten blijkt dat EC plus mFOLFOX6 vergeleken met SOC geassocieerd was met een significant betere progressievrije en algehele overleving (PFS en OS).2 De mediane PFS was 12,8 maanden met EC plus mFOLFOX6 versus 7,1 maanden met SOC (HR 0,53; 95% BI 0,407-0,677; p<0,0001). De mediane OS was 30,3 maanden in de groep die EC plus mFOLFOX6 kreeg, vergeleken met 15,1 maanden in de SOC-groep (HR 0,49; 95% Bi 0,375-0,632; p<0,0001). Indrukwekkende getallen voor een patiëntengroep met een slechte prognose. Wel had EC plus mFOLFOX6 vergeleken met SOC meer bijwerkingen. Zo kwamen behandelingsgerelateerde bijwerkingen (TRAE’s) van graad 3 of 4 voor bij 76,3% van de patiënten in de EC + mFOLFOX6-groep en bij 58,5% van de patiënten in de SOC-groep. Desalniettemin is de verwachting dat EC plus mFOLFOX6 de nieuwe standaard eerstelijnsbehandeling wordt bij patiënten met BRAF V600E-gemuteerd, gemetastaseerd CRC.
In de gerandomiseerde, driearmige fase 3-CheckMate 8HW-studie werden patiënten met inoperabel of gemetastaseerd microsatelliet-instabiliteit-hoog (MSI-H) of mismatch-repairdeficiënt (dMMR) CRC 2:2:1 toegewezen aan nivolumab plus ipilimumab, nivolumab alleen of chemotherapie naar keuze. Naar de eerste twee groepen konden zowel eerder als niet eerder behandelde patiënten worden toegewezen en aan de chemotherapiegroep alleen patiënten met nieuw-gediagnosticeerd CRC. Bij progressieve ziekte na chemotherapie was cross-over naar nivolumab plus ipilimumab toegestaan. Zoals verwacht bleek uit de resultaten dat de werkzaamheid van nivolumab plus ipilimumab beter was dan die van nivolumab alleen en van chemotherapie.3 Eerstelijnsbehandeling met nivolumab plus ipilimumab versus chemotherapie was geassocieerd met een mediane PFS van respectievelijk 54,1 en 5,9 maanden (HR 0,21; 95% BI 0,14-0,31). De mediane PFS werd niet bereikt bij patiënten die in de eerste of latere lijn behandeld werden met nivolumab plus ipilimumab en was 39,3 maanden bij patiënten die alleen nivolumab kregen (HR 0,62; 95% BI 0,48-0,81; p=0,0003). Met name deze laatste vergelijking is relevant voor de dagelijkse praktijk, omdat pembrolizumab momenteel de standaard eerstelijnsbehandeling is en de werkzaamheid van dit middel vergelijkbaar is met die van nivolumab. Verder was nivolumab plus ipilimumab vergeleken met nivolumab-monotherapie geassocieerd met een beperkte toename in toxiciteit. Zo kwamen TRAE’s van graad 3 of 4 voor bij 22% van de patiënten in de combinatiegroep en bij 14% van de patiënten in de nivolumabgroep. In de combinatiegroep hadden deze TRAE’s geen significant effect op de PFS of ORR. Ik verwacht dan ook dat nivolumab plus ipilimumab de nieuwe eerstelijnsbehandeling wordt bij patiënten met irresectabel of gemetastaseerd MSI-H/dMMR CRC.
In de fase 3-CAIRO6-studie werd bij patiënten met CRC en resectabele peritoneale metastasen onderzocht wat de uitkomst is als perioperatieve chemotherapie wordt toegevoegd aan cytoreductieve chirurgie (CRS) in combinatie met hypertherme intraperitoneale chemotherapie (HIPEC). Uit de resultaten bleek dat deze toevoeging niet geassocieerd was met een significant betere OS, de primaire uitkomstmaat van de studie.4 Voor de dagelijkse praktijk in Nederland zal dit betekenen dat CRS plus HIPEC onveranderd de standaard blijft bij deze patiëntengroep.
Tijdens de 2025 ASCO Annual Meeting werden ook resultaten gepresenteerd van de CHALLENGE-studie. In deze grote en goed uitgevoerde fase 3-studie werd de impact bepaald van een intensief en gestructureerd bewegingsprogramma op de ziektevrije overleving (DFS) bij patiënten met stadium III- of hoog-risico stadium II-coloncarcinoom die met chemotherapie behandeld waren. Uit de resultaten bleek dat de patiënten niet alleen fitter werden door het driejarige bewegingsprogramma, maar dat hun DFS en OS significant beter waren dan bij patiënten die niet aan het bewegingsprogramma deelnamen.5,6 Zo nam de vijfjaars-DFS toe van 74% in de controlegroep naar 80% in de bewegingsgroep (HR 0,72; 95% BI 0,55-0,94; p=0,017). Voor elke zestien personen die aan het bewegingsprogramma deelnamen kon bij één patiënt een recidief of het ontstaan van een nieuwe tumor voorkomen worden. Verder was de achtjaars-OS 90% in de bewegingsgroep vergeleken met 83% in de controlegroep (HR 0,63; 95% BI 0,43-0,94; p=0,022). Deze resultaten laten zien dat je met dit bewegingsprogramma meer kunt bereiken dan met sommige chemotherapieën en dat implementatie in de Nederlandse praktijk bij coloncarcinoom, en mogelijk ook andere tumoren, zeker het overwegen waard is.
Referenties
1. Kopetz S, et al. Nat Med 2025;31:901-8.
2. Elez E, et al. J Clin Oncol 2025;43(17_suppl): abstr LBA3500.
3. Lenz HJ, et al. J Clin Oncol 2025;43(16_suppl): abstr 3501.
4. Rovers K ,et al. J Clin Oncol 2025;43(16_suppl): abstr 3505.
5. Booth C, et al. J Clin Oncol 2025;43(17_suppl): abstr LBA3510.
6. Courneya KS, et al. N Engl J Med 2025, June 1. DOI: 10.1056/NEJMoa2502760. Online ahead of print.
In een podcast met prof. dr. ir. Koos van der Hoeven bespreekt dr. Jeanine Roodhart naast bovenstaande studies onder andere ook de ATOMIC-studie waarin de meerwaarde wordt bepaald van adjuvante behandeling met atezolizumab plus chemotherapie bij dMMR CRC en van de CodeBreaK 101-studie naar de uitkomst van sotorasib, panitumumab en FOLFIRI bij patiënten met eerder behandeld, KRAS G12C-gemuteerd, gemetastaseerd CRC. Daarnaast houdt zij de resultaten van de DYNAMIC-III-studie tegen het licht. In deze studie wordt de meerwaarde van een adjuvante behandeling op geleide van het circulerend tumor-DNA bepaald bij patiënten met stadium III-CRC. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts