In april 2023 besloten dertig oncologen, academici en patiënten uit vijftien landen tijdens een bijeenkomst in Queen’s University in Kingston, Canada, tot de oprichting van Common Sense Oncology (CSO). CSO richt zich onder andere op principes die bijdragen aan verbetering van het ontwerp, de analyse en de rapportage van klinische studies. Prof. dr. Winette van der Graaf, hoogleraar Medische oncologie bij het Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam, en Erasmus MC, Rotterdam, en president van de EORTC, is een van de initiatiefnemers.
Toen de Canadese oncologen Christopher Booth en Bishal Gyawali Winette van der Graaf benaderden om mee invulling te geven aan een nieuwe visie op oncologische zorg met meer common sense, zei ze direct ja. “Dit is het, dacht ik”, vertelt ze. “Ik denk in de praktijk vaak: waar zijn we mee bezig in de oncologie? Er wordt veel aandacht gegeven aan nieuwe middelen, maar voegen die nu altijd echt iets toe? En zo ja, hoeveel dan precies, tegen welke prijs, en welke patiënten moet je er wel en niet mee behandelen? Zijn het conclusies op basis van gerandomiseerde klinische trials die ook echt de beste waren in een representatieve groep patiënten? In veel landen kunnen ze de beste middelen niet voorschrijven. De visie van CSO dat patiënten, waar ze ook wonen, recht hebben op behandelingen die betekenisvolle verbeteringen geven, sprak me aan.”
CSO richt zich in eerste instantie op drie pijlers: bewijs genereren, bewijs interpreteren en over dat bewijs communiceren. Dit werk is patiëntgericht en legt de nadruk op het feit dat iedereen recht moet hebben op kwalitatief goede oncologische zorg, gebaseerd op de best mogelijke bewijsvoering. “Er is veel framing in de communicatie over trials”, zegt Van der Graaf. “Het gaat dan over clinically meaningful en manageable toxicity. Maar het is patiënten niet gevraagd wat dat inhoudt, bijvoorbeeld doordat geen onderzoek naar de kwaliteit van leven (QoL) is gedaan of gerapporteerd dat die beweringen ondersteunt.”
De aanpak herijken
Wat nodig is, stelt CSO, is een herijkte aanpak die meer patiënt gecentreerd is en meer prioriteit geeft aan gelijkwaardige kankerzorg.1 “Inmiddels hebben we werkgroepen gevormd die zich hiermee bezighouden", zegt Van der Graaf. “We hebben een checklist gepubliceerd met de principes voor het ontwerp en de analyse van fase 3 gerandomiseerde klinische trials en de communicatie erover.2 Ook is er al een publicatie over wat op congressen de juiste benadering is voor discussie over gerandomiseerde klinische trials die potentieel een doorbraak vormen.3 Die trials zijn vaak geleid vanuit de farmaceutische industrie. Hierbij is het goed je af te vragen: hoe vernieuwend is het middel? Hoe verhoudt het zich tot de soortgelijke middelen in dezelfde klasse die al beschikbaar zijn? Recentelijk is ook een publicatie verschenen over de respondercriteria van QoL-onderzoek.4 Dat is nu veelal gericht op groepen, maar je wilt juist inzicht in de QoL op het niveau van het individu.”
Voor de duidelijkheid benadrukt Van der Graaf dat CSO niet negatief wil zijn, maar juist verbindend. Ze vertelt: “De kerngroep is inmiddels, na de oprichtingsbijeenkomst in Canada, nog tweemaal bij elkaar geweest. Maar we willen veel meer collega’s bereiken die op een of andere manier een actieve rol hebben in de oncologie. Dit doen we bijvoorbeeld door bijeenkomsten bij de ESMO en de ASCO te organiseren of als we gelegenheid krijgen op deze congressen over CSO te spreken. Hierdoor kunnen we ook weer anderen bereiken en het initiatief een nog meer globaal karakter geven.”
Relatie met EORTC
Van der Graaf is president van de EORTC, de European Organisation for Research and Treatment of Cancer. “Er is veel overlap tussen de ideeën die daar leven en de doelstellingen van CSO”, vertelt ze, “bijvoorbeeld over het belang om studies te doen waar velen van kunnen profiteren, ook mensen in niet-Westerse landen, bijvoorbeeld pragmatische klinische trials. Daarnaast is de publicatie over respondercriteria bij QoL-onderzoek ontstaan door een samenwerking van CSO en de EORTC. Bij de laatste CSO-meeting in april waren ook de hoofdredacteuren betrokken van enkele internationale toonaangevende oncologische vakbladen. Dat leidde tot waardevolle discussies over de rol die zij kunnen spelen in het publiceren over onderzoek en daarmee in het vergroten van de waarde van ons initiatief. Als zij geen eisen stellen aan de rapportage van klinische studies, verandert er nooit iets. Maar CSO begint natuurlijk daarvoor al, door bij het design van trials nog beter te bespreken wat relevante uitkomstmaten voor patiënten zijn. Hiervoor hebben we een CSO-fellow aangesteld in Kingston. Voor die ene plek hadden we meer dan tachtig geïnteresseerden en de EORTC heeft nu een tweede fellow aangenomen. Meer dan dat kunnen we ons nog niet veroorloven. We hebben vanuit Canada wat lokale subsidies en donateurs, maar verder werkt iedereen binnen CSO voor eigen rekening. Meer subsidiebronnen tot onze beschikking hebben zou dus waardevol zijn. Dan zouden we nog meer kunnen doen dan we nu doen. We hebben plenty ideeën.”
Vanuit Nederland is de inhoudelijke belangstelling onder collega’s voor CSO groot. De SONIA- en NADINA-studie passen bijvoorbeeld goed bij CSO.5,6 “Dat is beslist niet in alle landen zo”, zegt Van der Graaf. “En nieuwe contacten zijn belangrijk. Niet alleen medisch oncologen, maar ook pathologen en farmacologen hebben belangstelling getoond. En longartsen, want daarmee hebben we nog nauwelijks contact. Patiënten met longkanker worden in veel andere landen door medisch oncologen behandeld. We moeten dus breder kijken hoe de oncologie in diverse landen geregeld is.”
Bijdragen aan discussie
Het initiatief moet leiden tot oncologische zorg die voor iedereen beschikbaar is. Van der Graaf is nuchter genoeg om te beseffen dat aan deze ambitie een grens zit. Er zijn immers landen waar mensen geen toegang hebben tot zorg of er niet voor verzekerd zijn. “Dat is politiek gekleurd en daarvoor is CSO niet opgericht”, zegt ze. “Wel kunnen we bijdragen aan hoe je iemand de beste zorg kunt geven, door te zorgen dat de beste patient centered evidence boven tafel komt. Daarom is het ook zo belangrijk dat patiëntenorganisaties bij CSO betrokken zijn. Dose-finding-studies zijn bijvoorbeeld heel belangrijk. We hebben immers geleerd dat we niet altijd een hoge dosis van een middel hoeven geven, en dat we immunotherapie kunnen verschuiven van adjuvant naar neoadjuvant. Allemaal zaken die bijdragen aan optimaal doseren. Dat bespaart geld en het betekent voor de patiënt minder bijwerkingen en minder frequente (en soms kostbare) ziekenhuisbezoeken.”
Ze zegt te hopen dat de CSO-principes ook hun weg vinden naar de opleidingen in oncologische specialismen. “Bewustzijn creëren over waar je als behandelaar mee bezig bent en wat je rol is begint daar”, verduidelijkt ze. “En als je later ooit in een advisory committee zit die meedenkt over de opzet van nieuwe trials, dan is het belangrijk daar ook dit gedachtegoed uit te dragen, want een klinische studie met een matig design zal nooit het verschil voor de patiënt gaan maken.”
Referenties
1. Booth CM, et al. Lancet Oncol 2023;24:833-5.
2. Gyawali B, et.al. Lancet Oncol 2025;26:e80-e89.
3. Eisenhauer E, et.al. Eur J Cancer 2025;220:115357.
4. Tannock IF, et al. Lancet Oncol 2025;26:e499-e507.
5. Sonke GS, et al. Nature 2024;636:474-80.
6. Blank CU, et al. N Engl J Med 2024;391:1696-708.
Drs. Frank van Wijck, wetenschapsjournalist
Oncologie Up-to-date 2025 vol 16 nummer 5