Door de aanhoudende ontwikkeling van innovatieve oncologische medicijnen is er een relatief groot aanbod aan fase 1- en 2-studies. Maar voor patiënten die hiervoor in aanmerking komen, kan het lastig zijn om daadwerkelijk deel te nemen aan deze studies. In haar nieuwe functie als hoogleraar Vroegklinische geneesmiddelenontwikkeling in de oncologie aan de Universiteit Utrecht wil prof. dr. Neeltje Steeghs, die eveneens verbonden blijft als internist-oncoloog en klinisch farmacoloog aan het Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam, dit makkelijker maken.
Enerzijds is de situatie rondom geneesmiddelontwikkeling voor oncologische aandoeningen beloftevol. De hoeveelheid nieuwe middelen die momenteel in preklinisch en klinisch onderzoek zijn, is indrukwekkend. Zo bleek uit een van de laatste Horizonscans van ZorgInstituut Nederland dat er voor alleen longkanker 21 nieuwe medicijnen worden onderzocht. Neeltje Steeghs, sinds begin 2025 hoogleraar in het UMC Utrecht, beaamt dat er ontzettend veel medicijnen in ontwikkeling zijn, maar benadrukt tegelijkertijd dat er nog weinig medicijnen zijn die echt opleveren wat wordt gehoopt. Steeghs: “Genezen gebeurt helaas nog zelden en medicijnen die echt lang werken, zonder enige bijwerking, hebben we ook nog niet. Dus er is nog een hoop te doen.”
Een van de zaken waar Steeghs zich sterk voor maakt, is een betere toegang tot vroegklinische oncologische studies, om zo de doorstroming van geneesmiddelen naar de klinische praktijk te bespoedigen. Momenteel is er voor oncologen met een patiënt die hiervoor mogelijk in aanmerking komt, geen goed overzicht van het aanbod aan vroegklinische studies, vertelt Steeghs. “Vroegklinische studies zijn relatief klein en includeren kleine aantallen patiënten. Na inclusie van een aantal patiënten wordt steeds opnieuw gekeken wat de bijwerkingen zijn en of het veilig is om door te gaan. En dat betekent dat er vaak maar weinig plek is en dat de inclusie ook weer snel sluit. Dat is anders dan bij fase 2- of 3-studies, waarin soms tientallen of honderden patiënten tegelijk behandeld worden.”
De al bestaande registraties van klinische onderzoeken, zoals het landelijk trialregister of clinicaltrials.gov, geven dan ook niet voldoende informatie, stelt Steeghs: “Deze registraties kijken met name of de studie loopt of dicht is, maar laten niet zien of er echt een behandelplek is. Maar bij fase 1-studies kan een studie open zijn, terwijl er misschien maandenlang geen behandelplek is.”
Database vroegklinische studies
Om die reden willen Steeghs en collega’s een database opzetten waarin informatie over beschikbare behandelplekken makkelijk toegankelijk is. Dit gebeurt in een samenwerkingsverband binnen het Landelijk platform Vroeg Klinische Studies en het Oncode Accelerator-programma, een initiatief van diverse medische centra om de ontwikkeling van kankermedicijnen te versnellen. Steeghs: “Het doel is om artsen een overzicht te geven van het aanbod aan vroegklinische studies. In deze database moet het voor artsen van Groningen tot Maastricht duidelijk worden waar ze hun patiënt naartoe kunnen verwijzen en voor welke studie. Dan kan de patiënt natuurlijk nog zelf kiezen of die wil deelnemen, maar nu missen we deze optie, omdat we het gewoon niet van elkaar weten.”
Het project loopt door tot 2032 en wil naast het ontwikkelen van de database ook een hulpmiddel maken waarmee patiënten gematcht kunnen worden aan een vroegklinische studie. Steeghs: “Zodat artsen niet in een registratie hoeven te zoeken, maar eenvoudig, hopelijk zelfs in het patiëntendossier, kunnen zien of er een studie is waarvoor hun patiënt in aanmerking komt.” Als het systeem succesvol is, zou dit eventueel ook ingezet kunnen worden bij andere specialismen. “Wij gaan dit opzetten voor de vroegklinische studies in de oncologie, maar in theorie kun je dit ook inzetten voor patiënten met infectieziekten of reuma, of voor studies in een latere fase.”
Studieprotocollen aanpassen
Ook op andere manieren kan de toegang van patiënten tot vroegklinische studies worden verbeterd. Bijvoorbeeld door in het design van studies meer rekening te houden met een zo snel mogelijke toegang tot nieuwe medicatie. Dat geldt met name voor medicijnen met een breed werkingsmechanisme, aldus Steeghs. “Als je bijvoorbeeld immunotherapie inzet, dan is het de bedoeling dat je het immuunsysteem stimuleert om de kankercellen dood te maken. In theorie maakt het in dat geval niet veel uit of dat een longkankercel of een borstkankercel is. Dan zou je zo'n studie ook prima kunnen doen bij een diverse groep kankerpatiënten.”
“Ik ben groot voorstander van het zo inclusief mogelijk opstellen van een studieprotocol. Dat wil zeggen dat je dit zo breed mogelijk maakt, maar wel kloppend voor het middal dat je ontwikkelt. Als je medicijn een specifiek aangrijpingspunt heeft, is het logisch dat je enkel mensen met dat aangrijpingspunt in je studie toelaat. Maar ik vind het onlogisch dat een nieuw medicijn dat heel algemeen werkt niet breed wordt onderzocht.”
Tevens komt het geregeld voor dat in eerste instantie een medicijn wordt onderzocht bij een zeer beperkte groep patiënten. Steeghs: “Dan zijn er vijf studies voor patiënten met een heel zeldzaam type longkanker, maar nul studies voor patiënten met een meer algemeen type kanker. Dat heeft mede als gevolg dat onderzoekers allemaal in dezelfde vijver vissen.”
In- en exclusiecriteria
Ook zouden de inclusie- en exclusiecriteria voor studies met nieuwe medicijnen kunnen worden aangepast om meer patiënten voordeel hiervan te laten ervaren, meent Steeghs. “Je ziet steeds meer protocollen waarin patiënten maximaal een bepaald aantal lijnen voorbehandeling mogen hebben gehad. Enerzijds begrijp ik wel dat de onderzoekers een maximale kans willen hebben dat hun middel gaat werken, maar aan de andere kant zou je een patiënt die in goede conditie is na een aantal lijnen behandeling, ook een kans op voordeel willen bieden.
En soms zijn er ook studies waarin bijvoorbeeld patiënten met alvleesklierkanker worden uitgesloten, omdat de onderzoekers niet de verwachting hebben dat hun middel daarbij werkt. Maar je zou ook juist bij die patiëntengroep onderzoek kunnen doen, in de hoop dat je iets vindt dat wel werkt. Als je het niet eens bij één of twee patiënten probeert, kom je er nooit achter. Daarbij spelen de overwegingen van de farmaceutische industrie een rol; bij een kleine markt is het risico groot dat de kosten niet opwegen tegen de baten. Maar als je vanuit de blik van patiënten hiernaar kijkt, wil je ook voor relatief zeldzame ziekten een behandeling vinden.”
Goede infrastructuur
Steeghs wil ten slotte benadrukken dat Nederland een goed klimaat heeft voor het uitvoeren van klinische studies. Hoewel (Europese) regelgeving er soms voor zorgt dat farmaceuten hun studies alleen in grotere Europese landen doen of dat er vertraging ontstaat tussen de preklinische en klinische fase, zijn er ook farmaceuten die er bewust voor kiezen om in Nederland klinische studies uit te voeren, met name vanwege de goede infrastructuur voor het uitvoeren hiervan.
Steeghs: “We hebben goede ziekenhuizen waar goede scans gemaakt worden en waar zorgvuldig bloed en biopten en data worden verzameld. Hiervoor zorgt een heel team aan verpleegkundigen, apothekers, datamanagers, trial assistants en kwaliteitsfunctionarissen. Ook als je internationaal kijkt, doen wij het als Nederland al jaren erg goed op het gebied van vroegklinische studies in de oncologie. Simpelweg omdat we goed georganiseerd zijn en er een heleboel professionele mensen aan meewerken. Doordat zij er zijn, kunnen patiënten deelnemen aan vroegklinische studies en krijgen de behandelingen uiteindelijk, als ze werken, ook een plek in de standaardzorg.”
Meer informatie over vroegklinische studies en het onderzoek van Neeltje Steeghs:
https://eddc-nki.com/nl
https://www.oncodeaccelerator.nl
Drs. Twan van Venrooij, wetenschapsjournalist
Oncologie Up-to-date 2025 vol 16 nummer 5