In de fase 3-TROPION-Breast02-studie laat datopotamab deruxtecan een overlevingswinst van vijf maanden zien ten opzichte van chemotherapie bij patiënten met gevorderde triple-negatieve borstkanker die niet in aanmerking komen voor immunotherapie. Dr. Rebecca Dent (Singapore) presenteerde de primaire analyse van deze studie tijdens het ESMO Congress 2025. “Deze resultaten ondersteunen de toepassing van datopotomab deruxtecan als nieuwe standaardbehandeling in de eerste lijn.”
Ongeveer 70% van de patiënten met gevorderde triple-negatieve borstkanker (TNBC) komt niet in aanmerking voor immunotherapie. Hun eerstelijnsbehandeling bestaat voornamelijk uit chemotherapie, met beperkte effectiviteit. Ongeveer de helft van hen ontvangt geen behandeling meer na de eerste lijn, dus er is grote behoefte aan effectievere opties. Een potentiële kandidaat is het antilichaam-geneesmiddelconjugaat datopotamab deruxtecan (Dato-DXd), gericht tegen TROP2.
TROPION-Breast02
In de internationale fase 3-TROPION-Breast02-studie werden 644 patiënten geïncludeerd met lokaal gevorderd, inoperabel of gemetastaseerd TNBC die niet eerder behandeld waren in deze setting en niet in aanmerking kwamen voor immunotherapie. De patiënten werden 1:1 gerandomiseerd tussen Dato-DXd of chemotherapie naar keuze van de onderzoeker (meestal nab-paclitaxel of paclitaxel). In beide armen had ongeveer 15% van de patiënten een ziektevrij interval van minder dan zes maanden, een derde van de patiënten had drie of meer metastasen en ongeveer 10% had hersenmetastasen. De meesten vertoonden lage PD-L1-expressie (CPS<10). De duale primaire uitkomstmaten waren de algehele overleving (OS) en progressievrije overleving (PFS) volgens onafhankelijke beoordeling. De primaire analyse vond plaats na een mediane follow-up van 27,5 maanden.
Langere OS en PFS
Behandeling met Dato-DXd resulteerde in een significante verbetering van de PFS ten opzichte van chemotherapie (HR 0,57; p<0,0001).1 De mediane PFS was 10,8 maanden in de Dato-DXd-arm en 5,6 maanden in de chemotherapie-arm, een verschil van ruim vijf maanden. “Dato-DXd liet ook een statistisch significante en klinisch relevante verbetering van de OS zien vergeleken met chemotherapie, waarbij het risico op overlijden met 21% afnam”, aldus Rebecca Dent. De mediane OS was 23,7 versus 18,7 maanden (HR 0,79; p=0,0291).
Het objectieve responspercentage verdubbelde met Dato-DXd (62,5% versus 29,3% met chemotherapie) en ook de mediane responsduur was langer (12,3 versus 7,1 maanden).
Nieuwe standaard in eerste lijn
Hoewel de mediane behandelduur ruim vier maanden langer was in de Dato-DXd-arm (8,5 versus 4,1 maanden), was het percentage behandelingsgerelateerde bijwerkingen (TRAE’s) van graad 3 of hoger in beide armen vergelijkbaar (33% versus 29%). In de Dato-DXd-arm leidden TRAE’s minder vaak tot stopzetten van de behandeling (4,4% versus 7,4%). Het veiligheidsprofiel was hanteerbaar en kwam overeen met de bekende bijwerkingen van Dato-DXd. Vooral stomatitis, misselijkheid en droge ogen kwamen vaker voor in de Dato-DXd-arm, maar waren meestal laaggradig. In de chemotherapie-arm ontwikkelden patiënten vaker neutropenie, anemie en perifere neuropathie.
“De TROPION-Breast2-studie bereikte beide primaire uitkomstmaten”, concludeerde Dent. Ze wees erop dat de deelnemers representatief waren voor de real-world TNBC-populatie, inclusief degenen die meestal worden uitgesloten van klinische studies. “De resultaten ondersteunen de toepassing van Dato-DXd als nieuwe standaardbehandeling in de eerste lijn voor patiënten met lokaal gevorderd, inoperabel of gemetastaseerd TNBC voor wie immunotherapie geen optie is.”
Referentie
1. Dent R, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA21.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 3
Commentaar dr. Marleen Kok, internist-oncoloog, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam
Het toevoegen van pembrolizumab aan neoadjuvante chemotherapie bij vroeg-stadium triple-negatieve borstkanker (TNBC) verbetert het percentage pathologisch complete responsen (pCR’s) en de ziektevrije overleving (DFS). In de Indiase PLANeT-studie, gepresenteerd tijdens het ESMO Congress 2025, is onderzocht of een lage dosis pembrolizumab toegevoegd aan neoadjuvante chemotherapie ook goede uitkomsten zou geven.1 Het chemotherapieregime bestond uit doxorubicine, cyclofosfamide en paclitaxel (zonder carboplatine); pembrolizumab werd toegediend in een dosering van slechts 50 mg elke 6 weken. De resultaten waren indrukwekkend: 53,8% van de patiënten in de pembrolizumabgroep behaalde een pCR versus 40,5% met chemotherapie alleen. Het aantal bijwerkingen was vergelijkbaar met de reguliere dosering pembrolizumab, wat erop wijst dat zelfs een lage dosering pembrolizumab al een sterke immuunrespons kan opwekken. Ik hoop dat dit een vervolg zal krijgen, zeker omdat pembrolizumab in veel landen nog niet verkrijgbaar is of veel te duur is.
Tijdens het ESMO-congres was er veel aandacht voor de antilichaam-geneesmiddelconjugaten (ADC’s) bij borstkanker, waaronder trastuzumab deruxtecan (T-DXd) voor HER2-positieve ziekte. In de DESTINY-Breast11-studie werden 300 patiënten met hoog-risico, vroege borstkanker gerandomiseerd naar T-DXd gevolgd door paclitaxel, trastuzumab en pertuzumab (T-DXd-THP), dose-dense doxorubicine plus cyclofosfamide gevolgd door THP (ddAC-THP) of T-DXd-monotherapie.2 De monotherapiegroep werd voortijdig gestopt wegens mogelijk een te lage kans op een pCR. In de T-DXd-THP-groep behaalde 67,3% van de patiënten een pCR versus 56,3% in de ddAC-THP-groep. Er kwamen echter kritische vragen over de controlegroep. ddAC-THP wordt in de praktijk niet veel meer gebruikt en gaat gepaard met veel toxiciteit. Hierdoor heeft de controlegroep naar mijn mening een te zware behandeling gehad en ik verwacht niet dat deze studie de Nederlandse praktijk gaat veranderen, mede omdat we nu ook alleen pCR-data hebben gezien uit een relatief kleine studie.
In de DESTINY-Breast05 werd een adjuvante behandeling met trastuzumab emtansine (T-DM1) vergeleken met T-DXd bij hoog-risico, HER2-positieve, vroege borstkanker met restziekte na neoadjuvante therapie.3 Hoog risico betekende in dit geval klinisch stadium T4 of betrokkenheid van meerdere lymfeklieren; dat is echt een groep die ondanks de al best goede standaardbehandeling nog een relatief slechte overleving heeft. De DFS was significant beter met T-DXd, met een HR van 0,47 en een absoluut verschil van 8%. De driejaars-DFS bedroeg 92% met T-DXd versus 83% met T-DM1. Dit zijn belangrijke resultaten waar Nederlandse patiënten hopelijk ook profijt van gaan hebben. Op basis van de PASKWIL-criteria lijkt voorlopige goedkeuring gerechtvaardigd. Wel blijft interstitiële longziekte een zorg, een bijwerking waar twee patiënten in deze studie aan overleden.
In Nederland kunnen patiënten met oligogemetastaseerde ziekte momenteel neoadjuvant T-DXd krijgen in de ANISE-studie.
Er werden ook interessante studies gepresenteerd over andere ADC’s. In de ASCENT-03-studie werd sacituzumab govitecan (SG) in eerste behandellijn vergeleken met chemotherapie bij patiënten met niet eerder behandelde, gemetastaseerde TNBC die niet in aanmerking kwamen voor PD-(L)1-remmers.4 De progressievrije overleving (PFS) verbeterde weliswaar significant met 2,8 maanden, maar deze winst is te beperkt om te voldoen aan de PASKWIL-criteria. Deze studie zal de Nederlandse praktijk daarom waarschijnlijk niet veranderen.
In de TROPION-Breast02 is datopotamab deruxtecan (dato-DXd) onderzocht versus chemotherapie bij patiënten met lokaal gevorderd, inoperabel of gemetastaseerd TNBC voor wie immunotherapie geen optie was.5 De PFS-winst bedroeg 5,2 maanden, met een HR voor algehele overleving (OS) van 0,79. Hoewel dit middel in Nederland nog niet beschikbaar is en deze OS-resultaten nog onvoldoende zijn voor goedkeuring, biedt de PFS-winst mogelijk toch perspectief voor ook de Nederlandse patiënt.
Tot slot werden de OS-data van de SONIA-studie, naar de plaats van CDK4/6-remmers, gepresenteerd.6 Net als bij de PFS bleek het ook voor OS niet uit te maken of deze middelen in de eerste of tweede lijn worden gegeven. Een subgroepanalyse suggereerde wel een OS-voordeel voor premenopauzale vrouwen bij gebruik in de eerste lijn, maar niet voor postmenopauzale vrouwen. In de discussie werd opgemerkt dat de controlearm slechter presteerde dan in de eerdere registratiestudies. Dit komt waarschijnlijk doordat de SONIA niet de strikte inclusiecriteria hanteerde van de registratiestudies, maar juist een heel pragmatische opzet had met ruimere inclusiecriteria, waardoor de patiëntengroep beter de dagelijkse praktijk weerspiegelt.
Referenties
1. Batra A, et al. Ann Oncol 2025;36(Suppl_2): abstr LBA15.
2. Harbeck N, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 291O.
3. Geyer Jr. CE, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA1.
4. Cortés J, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA20.
5. Dent R, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA21.
6. Wortelboer N, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 487MO.
In een podcast bespreken prof. dr. ir. Koos van der Hoeven en dr. Marleen Kok naast bovenstaande studies ook OS-resultaten van de monarchE- en NATALEE-studie, de POSITIVE-studie en de DESTINY-Breast09. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts