Een behandeling met ivonescimab plus chemotherapie verbetert de progressievrije overleving significant ten opzichte van tislelizumab plus chemotherapie bij patiënten met gevorderd squameus niet-kleincellig longcarcinoom. Dit blijkt uit de resultaten van de fase 3-HARMONi-6-studie. Ivonescimab plus chemotherapie laat daarbij een hanteerbaar veiligheidsprofiel zien, zei prof. Shun Lu (Shanghai, China) in zijn presentatie tijdens het tweede Presidential Symposium van het ESMO 2025 Congress.
Voor de eerstelijnsbehandeling van gevorderd squameus niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC) zijn inmiddels verschillende PD-(L)1-remmers goedgekeurd, waaronder tislelizumab. In de fase 3-HARMONi-6-studie is een eerstelijnsbehandeling met ivonescimab (een bispecifiek antilichaam gericht tegen PD-1 en VEGF) plus chemotherapie onderzocht versus tislelizumab plus chemotherapie bij gevorderd squameus NSCLC.1 In deze multicenter, gerandomiseerde, dubbelblinde, parallel-gecontroleerde studie werden 532 patiënten met stadium IIIB-V, pathologisch bevestigd squameus NSCLC die niet eerder systemisch behandeld waren, 1:1 gerandomiseerd. Zij ontvingen ofwel vier cycli ivonescimab (20 mg/kg, elke 3 weken) plus carboplatine en paclitaxel, gevolgd door ivonescimab gedurende maximaal 24 maanden, of vier cycli tislelizumab (200 mg, elke 3 weken) plus carboplatine en paclitaxel, gevolgd door tislelizumab tot maximaal 24 maanden. De primaire uitkomstmaat was de progressievrije overleving (PFS) bepaald door een independent radiology review committee (IRRC). Een belangrijke secundaire uitkomstmaat was de algehele overleving (OS). “De OS was echter nog niet matuur ten tijde van deze analyse”, zei Shun Lu.
Hogere en langere tumorrespons
Na een mediane follow-up van 10,3 maanden was de PFS bepaald door IRRC significant beter in de ivonescimabgroep dan in de tislelizumabgroep (HR 0,60; 95% BI 0,46-0,78; p<0,0001). De mediane PFS was 11,1 maanden met ivonescimab plus chemotherapie versus 6,9 maanden met tislelizumab plus chemotherapie. Dit PFS-voordeel van ivonescimab werd gezien in alle belangrijke subgroepen.
Lu: “Daarnaast liet het regime met ivonescimab een betekenisvolle verbetering van de PFS zien ongeacht de PD-L1-expressie.” De HR was 0,55 bij een PD-L1-negatieve expressie (PD-L1 tumor proportion score (TPS) <1%) en 0,66 bij een PD-L1-positieve expressie (PD-L1-TPS ≥1%). “De tumorrespons was hoger en hield langer aan in de groep die behandeld was met ivonescimab plus chemotherapie.” Het objectieve responspercentage was 75,9% met ivonescimab plus chemotherapie en 66,5% met tislelizumab plus chemotherapie. De mediane duur van de respons was respectievelijk 11,2 en 8,4 maanden (p=0,0219).
Nieuwe standaardbehandeling
Het percentage behandelingsgerelateerde bijwerkingen (TRAE’s) was vergelijkbaar tussen beide studiegroepen, zei Lu. Dit gold ook voor de TRAE’s van graad 3 of hoger, ernstige TRAE’s, TRAE’s die leidden tot het staken van de medicatie, en TRAE’s met overlijden tot gevolg. “De meest voorkomende TRAE’s in beide groepen waren gerelateerd aan de chemotherapie: alopecia, anemie, neutropenie en trombocytopenie.” Het veiligheidsprofiel voor de immuungerelateerde bijwerkingen was ook vergelijkbaar tussen beide studiegroepen. Bijwerkingen die mogelijk gerelateerd waren aan VEGF kwamen vaker voor in de ivonescimabgroep, maar waren voornamelijk van graad 1 of 2.
Lu concludeerde dat ivonescimab plus chemotherapie een significant betere PFS liet zien dan tislelizumab plus chemotherapie bij gevorderd squameus NSCLC, met een hanteerbaar veiligheidsprofiel. “Ivonescimab plus chemotherapie kan dan ook een nieuwe standaardbehandeling zijn voor gevorderd squameus NSCLC”, aldus Lu. De resultaten van deze studie zijn gelijktijdig met het congres gepubliceerd in The Lancet.2
Referenties
1. Lu S, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA4.
2. Chen Z, et al. Lancet 2025;406:2078-88.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 3
Commentaar dr. Lizza Hendriks, longarts, Maastricht UMC+
In de OptiTROP-Lung04-studie werd een antilichaam-geneesmiddelconjugaat (ADC), sacituzumab tirumotecan (sac-TMT) vergeleken met platinabevattende chemotherapie na progressie op EGFR-TKI’s bij EGFR-gemuteerd, gemetastaseerd niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC).1 De resultaten waren interessant: zowel de progressievrije overleving (PFS) als de algehele overleving (OS) was significant beter. Dit was een Chinese studie en de studieopzet was niet helemaal conform de reguliere zorg in Nederland, omdat er in Nederland standaard als eerstelijnsbehandeling een derde generatie-EGFR-TKI wordt gestart. Een kanttekening is ook dat de werking in de hersenen nog niet voldoende is aangetoond. Een wereldwijde studie met TROP2-gerichte therapie is nog gaande. Deze ADC’s lijken te werken, en we zullen moeten leren omgaan met de toxiciteit, zoals stomatitis.
Het bispecifieke antilichaam ivonescimab, gericht tegen PD-1 en VEGF, heeft mogelijk een synergistische werking. In een andere Chinese studie liet ivonescimab-chemotherapie een significant PFS-verschil zien ten opzichte van tislelizumab-chemotherapie bij gevorderd plaveiselcel-NSCLC.2 Belangrijk is dat bijwerkingen gerelateerd aan angiogeneseremming, zoals bloedingen, erg meevielen. Dit moet nog bevestigd worden in een Westerse populatie en er lopen meerdere wereldwijde studies in de eerste lijn. Belangrijk is ook om de OS-resultaten af te wachten. In het verleden hebben veel angiogeneseremmers een significante PFS-winst laten zien, maar viel de uiteindelijke OS-winst tegen.
In de MDT-BRIDGE-studie werd neoadjuvante chemo-immunotherapie geëvalueerd bij patiënten met resectabel of borderline resectabel NSCLC.3 Na een nieuwe beoordeling volgden bij resectabele tumoren nog twee kuren chemo-immunotherapie, resectie en adjuvante immunotherapie. Patiënten met niet-resectabele tumoren gingen door naar chemoradiatie, gevolgd door adjuvante immunotherapie. In totaal kon bij 86% van de patiënten een resectie worden uitgevoerd. Van de patiënten bij wie uiteindelijk geen resectie mogelijk was, kwam de meerderheid uit de groep met een borderline resectabele tumor. Deze werden vrijwel allemaal met chemoradiatie behandeld, maar de follow-up is nog te kort om de uitkomsten (inclusief bijwerkingen zoals pneumonitis) daarvan te beoordelen.
De Nederlandse PAULIEN-studie liet zien dat toevoeging van chemotherapie aan eerstelijns pembrolizumab geen voordeel biedt voor patiënten met gevorderd NSCLC en hoge PD-L1-expressie.4 Bij hoge PD-L1-expressie is monotherapie met immunotherapie de standaardbehandeling, tenzij de patiënt nooit gerookt heeft en als er geen targetable drivermutaties aanwezig zijn. Veel centra voegen toch chemotherapie toe om snellere tumorreductie of een betere overleving te bereiken. Daarom is het belangrijk dat deze studie gedaan is. De studie is vroegtijdig gesloten, omdat de primaire uitkomstmaat, het objectieve responspercentage, niet significant verschillend was. Hoewel de studie hier niet voor gepowerd was, werden er ook geen verschillen in PFS of OS gezien.
Bij kleincellig longcarcinoom (SCLC) wordt voor het eerst sinds lange tijd vooruitgang gezien, met het middel tarlatamab. Dit is een bispecifieke T-cel-engager die bindt aan CD3 op T-cellen en DLL3 op kankercellen. Het is als tweedelijnsbehandeling geregistreerd door de FDA, maar in Nederland alleen beschikbaar in een expanded-access-programma. In de fase 1b-DeLLphi-303-studie werd de toevoeging van tarlatamab aan chemo-immunotherapie in de eerste lijn bij SCLC onderzocht.5 De toxiciteit van deze combinatie viel erg mee. T-cel-engagers geven vooral cytokinereleasesyndroom en neurologische toxiciteit (ICANS), maar in deze studie viel het mee en waren die bijwerkingen vooral van graad 1-2. Dit is wel toxiciteit om alert op te zijn, vooral tijdens de eerste twee giften. Maar het middel lijkt veilig te kunnen worden gebruikt, en de hoge mate van respons en overleving na een jaar zijn veelbelovend.
Referenties
1. Zhang L, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA5.
2. Lu S, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA4.
3. Reck M, et al. Ann Oncol. 2025; 36 (suppl_2): abstract LBA65.
4. Houda I, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 1851MO.
5. Wermke M, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 2757O.
In een podcast met prof. dr. ir. Koos van der Hoeven gaat dr. Lizza Hendriks ook in op de FLAURA2-studie met osimertinib, de NorthStar-studie met lokale consolidatietherapie, de finale OS-data met alectinib, vroege-fasestudies met HER2-gerichte therapie en studies met anti-TIGIT. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts