In de ASCENT-03-studie resulteerde behandeling met sacituzumab govitecan in een statistisch significante verbetering van de progressievrije overleving met bijna drie maanden ten opzichte van chemotherapie bij patiënten met niet eerder behandelde, gemetastaseerde, triple-negatieve borstkanker die niet in aanmerking kwamen voor PD-(L)1-remmers. Dat liet dr. Javier Cortés (Barcelona, Spanje) zien tijdens het ESMO Congress 2025.
Ongeveer 60% van de patiënten met niet eerder behandelde, gemetastaseerde, triple-negatieve borstkanker (mTNBC) komt niet in aanmerking voor behandeling met PD-(L)1-remmers. Voor deze groep is chemotherapie de huidige standaardbehandeling, met een mediane progressievrije overleving van vijf tot zes maanden. Sacituzumab govitecan (SG) is een antilichaam-geneesmiddelconjugaat gericht tegen Trop-2 en is goedgekeurd voor de behandeling van patiënten met mTNBC in de tweede lijn en later. In de fase 3-ASCENT-03-studie werd SG vergeleken met chemotherapie als eerstelijnsbehandeling in de gemetastaseerde setting bij patiënten met mTNBC die niet in aanmerking komen voor PD-(L)1-remmers.
ASCENT-03
In deze studie werden 558 patiënten 1:1 gerandomiseerd tussen SG of chemotherapie (paclitaxel, nab-paclitaxel of gemcitabine + carboplatine). De behandeling werd gegeven tot aan progressie of onacceptabele toxiciteit. Patiënten in de chemotherapie-arm mochten in de tweede lijn SG krijgen binnen deze studie. De progressievrije overleving (PFS) volgens geblindeerde onafhankelijke review vormde de primaire uitkomstmaat. Bij de eerste interimanalyse was de mediane follow-up 13,2 maanden.
Klinisch relevante verbetering
De studie bereikte de primaire uitkomstmaat, liet Javier Cortés zien.1 “Patiënten die SG kregen hadden een statistisch significante en klinisch relevante verbetering van de PFS vergeleken met chemotherapie (HR 0,62; p<0,0001).” De mediane PFS was 9,7 maanden met SG versus 6,9 maanden met chemotherapie. De PFS na twaalf maanden was respectievelijk 41% en 24%. Een PFS-voordeel van SG werd gezien in alle subgroepen.
Het objectieve responspercentage was in beide armen vergelijkbaar (48% versus 46%), maar de mediane responsduur was aanzienlijk langer in de SG-arm (12,2 maanden versus 7,2 maanden in de placeboarm). De data betreffende de algehele overleving zijn nog niet matuur. Na chemotherapie kregen de meeste patiënten (82%) SG als volgende behandeling, merkte Cortés op. De tijd tussen randomisatie en progressie of overlijden onder de volgende behandellijn (PFS2) was 18,2 maanden in de SG-arm en 14,0 maanden in de chemotherapie-arm.
Veiligheid
De veiligheid van SG kwam overeen met het bekende profiel. De mediane behandelduur was ongeveer twee maanden langer in de SG-arm, en resulteerde iets vaker in bijwerkingen van graad 3 of hoger (66% versus 62% met chemotherapie). In de SG-arm leidden bijwerkingen minder vaak tot stopzetten van de behandeling (4% versus 12%) of dosisreducties (37% versus 45%). In de SG-arm overleden zes patiënten aan de gevolgen van bijwerkingen; vijf van hen door infecties gerelateerd aan neutropenie, geen van hen had G-CSF-profylaxe gekregen.
“De resultaten van ASCENT-03 ondersteunen SG als potentiële nieuwe standaardbehandeling voor patiënten met niet eerder behandelde mTNBC die niet in aanmerking komen voor een PD-(L)1-remmer”, concludeerde Cortés. Deze resultaten werden gelijktijdig met het congres gepubliceerd in The New England Journal of Medicine.2
Referenties
1. Cortés J, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA20.
2. Cortés J, et al. N Engl J Med 2025; doi:10.1056/NEJMoa2511734.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 3
Commentaar dr. Marleen Kok, internist-oncoloog, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam
Het toevoegen van pembrolizumab aan neoadjuvante chemotherapie bij vroeg-stadium triple-negatieve borstkanker (TNBC) verbetert het percentage pathologisch complete responsen (pCR’s) en de ziektevrije overleving (DFS). In de Indiase PLANeT-studie, gepresenteerd tijdens het ESMO Congress 2025, is onderzocht of een lage dosis pembrolizumab toegevoegd aan neoadjuvante chemotherapie ook goede uitkomsten zou geven.1 Het chemotherapieregime bestond uit doxorubicine, cyclofosfamide en paclitaxel (zonder carboplatine); pembrolizumab werd toegediend in een dosering van slechts 50 mg elke 6 weken. De resultaten waren indrukwekkend: 53,8% van de patiënten in de pembrolizumabgroep behaalde een pCR versus 40,5% met chemotherapie alleen. Het aantal bijwerkingen was vergelijkbaar met de reguliere dosering pembrolizumab, wat erop wijst dat zelfs een lage dosering pembrolizumab al een sterke immuunrespons kan opwekken. Ik hoop dat dit een vervolg zal krijgen, zeker omdat pembrolizumab in veel landen nog niet verkrijgbaar is of veel te duur is.
Tijdens het ESMO-congres was er veel aandacht voor de antilichaam-geneesmiddelconjugaten (ADC’s) bij borstkanker, waaronder trastuzumab deruxtecan (T-DXd) voor HER2-positieve ziekte. In de DESTINY-Breast11-studie werden 300 patiënten met hoog-risico, vroege borstkanker gerandomiseerd naar T-DXd gevolgd door paclitaxel, trastuzumab en pertuzumab (T-DXd-THP), dose-dense doxorubicine plus cyclofosfamide gevolgd door THP (ddAC-THP) of T-DXd-monotherapie.2 De monotherapiegroep werd voortijdig gestopt wegens mogelijk een te lage kans op een pCR. In de T-DXd-THP-groep behaalde 67,3% van de patiënten een pCR versus 56,3% in de ddAC-THP-groep. Er kwamen echter kritische vragen over de controlegroep. ddAC-THP wordt in de praktijk niet veel meer gebruikt en gaat gepaard met veel toxiciteit. Hierdoor heeft de controlegroep naar mijn mening een te zware behandeling gehad en ik verwacht niet dat deze studie de Nederlandse praktijk gaat veranderen, mede omdat we nu ook alleen pCR-data hebben gezien uit een relatief kleine studie.
In de DESTINY-Breast05 werd een adjuvante behandeling met trastuzumab emtansine (T-DM1) vergeleken met T-DXd bij hoog-risico, HER2-positieve, vroege borstkanker met restziekte na neoadjuvante therapie.3 Hoog risico betekende in dit geval klinisch stadium T4 of betrokkenheid van meerdere lymfeklieren; dat is echt een groep die ondanks de al best goede standaardbehandeling nog een relatief slechte overleving heeft. De DFS was significant beter met T-DXd, met een HR van 0,47 en een absoluut verschil van 8%. De driejaars-DFS bedroeg 92% met T-DXd versus 83% met T-DM1. Dit zijn belangrijke resultaten waar Nederlandse patiënten hopelijk ook profijt van gaan hebben. Op basis van de PASKWIL-criteria lijkt voorlopige goedkeuring gerechtvaardigd. Wel blijft interstitiële longziekte een zorg, een bijwerking waar twee patiënten in deze studie aan overleden.
In Nederland kunnen patiënten met oligogemetastaseerde ziekte momenteel neoadjuvant T-DXd krijgen in de ANISE-studie.
Er werden ook interessante studies gepresenteerd over andere ADC’s. In de ASCENT-03-studie werd sacituzumab govitecan (SG) in eerste behandellijn vergeleken met chemotherapie bij patiënten met niet eerder behandelde, gemetastaseerde TNBC die niet in aanmerking kwamen voor PD-(L)1-remmers.4 De progressievrije overleving (PFS) verbeterde weliswaar significant met 2,8 maanden, maar deze winst is te beperkt om te voldoen aan de PASKWIL-criteria. Deze studie zal de Nederlandse praktijk daarom waarschijnlijk niet veranderen.
In de TROPION-Breast02 is datopotamab deruxtecan (dato-DXd) onderzocht versus chemotherapie bij patiënten met lokaal gevorderd, inoperabel of gemetastaseerd TNBC voor wie immunotherapie geen optie was.5 De PFS-winst bedroeg 5,2 maanden, met een HR voor algehele overleving (OS) van 0,79. Hoewel dit middel in Nederland nog niet beschikbaar is en deze OS-resultaten nog onvoldoende zijn voor goedkeuring, biedt de PFS-winst mogelijk toch perspectief voor ook de Nederlandse patiënt.
Tot slot werden de OS-data van de SONIA-studie, naar de plaats van CDK4/6-remmers, gepresenteerd.6 Net als bij de PFS bleek het ook voor OS niet uit te maken of deze middelen in de eerste of tweede lijn worden gegeven. Een subgroepanalyse suggereerde wel een OS-voordeel voor premenopauzale vrouwen bij gebruik in de eerste lijn, maar niet voor postmenopauzale vrouwen. In de discussie werd opgemerkt dat de controlearm slechter presteerde dan in de eerdere registratiestudies. Dit komt waarschijnlijk doordat de SONIA niet de strikte inclusiecriteria hanteerde van de registratiestudies, maar juist een heel pragmatische opzet had met ruimere inclusiecriteria, waardoor de patiëntengroep beter de dagelijkse praktijk weerspiegelt.
Referenties
1. Batra A, et al. Ann Oncol 2025;36(Suppl_2): abstr LBA15.
2. Harbeck N, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 291O.
3. Geyer Jr. CE, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA1.
4. Cortés J, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA20.
5. Dent R, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA21.
6. Wortelboer N, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 487MO.
In een podcast bespreken prof. dr. ir. Koos van der Hoeven en dr. Marleen Kok naast bovenstaande studies ook OS-resultaten van de monarchE- en NATALEE-studie, de POSITIVE-studie en de DESTINY-Breast09. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts