Meer dan de helft van de patiënten met platinaresistent ovariumcarcinoom vertoonde een respons op een nieuw antilichaam-geneesmiddelconjugaat (ADC) dat bindt aan de folaatreceptor-alfa (FRα). Bij patiënten met FRα-expressie in de tumor was de respons met 60,7% nog hoger, zo bleek uit de fase 1/2a-FONTANA-studie. In de NAPISTAR 1-01-studie leidde een ADC gericht tegen het membraaneiwit NaPi2b eveneens tot hoge responspercentages bij uitgebreid voorbehandelde patiënten.
FRα is een celoppervlakte-eiwit dat foliumzuur – een belangrijke cofactor voor DNA-synthese – kan binden en internaliseren. Bij ovariumcarcinoom vertoont circa 76-89% van de tumoren overexpressie van FRα. Dr. Ana Oaknin (Barcelona, Spanje) en collega’s onderzochten in de fase 1/2a-FONTANA-studie de nieuwe ADC AZD5335, die bindt aan FRα en een topo-isomerase I-remmer bevat.1 Deelnemers waren patiënten met platinaresistent ovariumcarcinoom. De studie bestond uit twee delen: een dosisescalatiefase (A) en een dosisoptimalisatiefase (B1). In deel A mochten patiënten een onbeperkt aantal eerdere behandelingen hebben gehad en werden zij niet geselecteerd op FRα-expressie (n=65). In deel B1 hadden patiënten maximaal drie eerdere behandelingen ondergaan en een FRα-positieve tumor (≥25% IHC1+; n=124). Tijdens de dosisescalatie werden doseringen van 0,8, 1,6, 2,0, 2,4 en 3,0 mg/kg onderzocht bij 65 patiënten. In het dosisoptimalisatiecohort werden 124 patiënten gerandomiseerd naar doseringen van 1,6, 2,0 of 2,4 mg/kg.
AZD5335
AZD5335 liet een hanteerbaar veiligheidsprofiel zien, aldus Oaknin namens het onderzoeksteam. Bijwerkingen van graad 3 of hoger traden op bij 19%, 35% en 49% van de patiënten bij doseringen van respectievelijk 1,6, 2,0 en 2,4 mg/kg. De meest voorkomende bijwerkingen waren misselijkheid (72,7%), vermoeidheid (45,9%) en neutropenie (44,8%). De behandeling werd gestaakt bij 6-10% van de patiënten; dosisreducties waren nodig bij 12-44%.
In de totale groep behandelde patiënten (n=189) werd een objectieve respons (ORR) gezien bij 53,6%. In cohort B1 bedroeg de ORR 60,7%, en bij de niet-geselecteerde patiënten 47,5%. Na een mediane follow-up van 7,8 maanden had 56,2% van de patiënten nog geen ziekteprogressie.
De nieuwe ADC zal verder worden onderzocht bij platinaresistent ovariumcarcinoom en andere tumortypen, aldus Oaknin.
TUB-040
Namens de onderzoekers van de NAPISTAR 1-01-studie presenteerde dr. Antonio González-Martin (Madrid, Spanje) de resultaten van een onderzoek naar TUB-040. Deze nieuwe ADC is gericht tegen NaPi2b, een membraaneiwit dat in hoge mate tot expressie komt bij ovariumcarcinoom en niet-kleincellig longcarcinoom. De ADC bestaat uit een gehumaniseerd antilichaam gekoppeld aan de topo-isomerase I-remmer exatecan.
Tijdens het ESMO-congres presenteerde González-Martin resultaten uit de dosisescalatiefase van de fase 1/2a-studie.2 Eerder behandelde patiënten met hooggradig sereus, platinaresistent ovariumcarcinoom, tubacarcinoom of primair peritoneaal carcinoom werden behandeld met doseringen tussen 0,5 en 5,3 mg/kg (mediaan vier eerdere behandelingen). De gepresenteerde resultaten betroffen patiënten die behandeld werden met doseringen tussen 1,67 en 3,3 mg/kg (n=46). Patiënten werden niet vooraf getest op NaPi2b-expressie.
De behandeling werd over het algemeen goed verdragen. Hoewel bij 20% van de patiënten een dosisreductie nodig was, staakte geen enkele patiënt de behandeling wegens bijwerkingen. De meest voorkomende behandelingsgerelateerde bijwerkingen waren misselijkheid (78,3%; 4,3% van graad 3 of hoger), vermoeidheid (47,8%; 3 0% van graad 3 of hoger), neutropenie (41,3%; 21,7% van graad 3 of hoger) en anemie (34,8%; 8,7% van graad 3 of hoger). In de totale groep traden bij 35% bijwerkingen van graad 3 of hoger op. Twee patiënten ontwikkelden asymptomatische graad 1-pneumonitis, die spontaan herstelde zonder therapieonderbreking.
59% respons
TUB-040 leidde bij 59% van de patiënten tot een respons, met bevestigde responsen bij 50%. Bij 93% van de patiënten met een respons hield deze aan tot het moment van de analyse. Tachtig procent van de patiënten gebruikte de behandeling op dat moment nog, wat wijst op een duurzaam voordeel, aldus de onderzoekers. Zij concluderen dat TUB-040 een gunstig veiligheidsprofiel vertoonde en gepaard ging met veelbelovende antitumoractiviteit. Het middel wordt verder onderzocht in een gerandomiseerde fase 2-dosisoptimalisatiestudie.
Referenties
1. Oaknin A, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 1065MO.
2. González-Martin A, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA43.
Drs. Twan van Venrooij, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 3