Toevoeging van de PD-L1-remmer atezolizumab aan de standaardbehandeling met BCG heeft geen significant effect op de eventvrije overleving van patiënten met hoog-risico niet-spierinvasief blaascarcinoom, maar leidt wel tot meer toxiciteit. Dat blijkt uit de resultaten van de fase 3-ALBAN-studie, die dr. Morgan Rouprêt (Parijs, Frankrijk) presenteerde tijdens het ESMO Congress 2025.
Voor patiënten met hoog-risico niet-spierinvasief blaascarcinoom (NMIBC) bestaat de standaardbehandeling uit complete chirurgische resectie gevolgd door blaasspoelingen met Bacillus Calmette-Guérin (BCG), een vorm van immunotherapie, gedurende één tot drie jaar. Bij zo’n 30-40% van de patiënten keert de ziekte echter terug. Eerder onderzoek suggereerde dat dit verband zou kunnen houden met de mate van PD-L1-expressie en veranderingen in de samenstelling van het immuuninfiltraat. In de internationale fase 3-ALBAN-studie werd geëvalueerd of de toevoeging van de PD-L1-remmer atezolizumab de effectiviteit van de BCG-behandeling zou kunnen verbeteren.1
ALBAN-studie
In de ALBAN-studie werden 517 patiënten geïncludeerd met NMIBC en hoog-risicokenmerken (zoals beschreven in de EAU-richtlijn) die niet eerder waren behandeld met BCG. Na 1:1 randomisatie kregen de patiënten in arm A een jaar lang regelmatig blaasspoelingen met BCG. In arm B kregen de patiënten naast behandeling met BCG ook elke drie weken intraveneus atezolizumab (1.200 mg) voor maximaal een jaar. De primaire uitkomstmaat was de eventvrije overleving (EFS). Daarbij werd een event gedefinieerd als een hoog- of laaggradig NMIBC-recidief, persisterend carcinoma in situ (CIS) na zes maanden, ziekteprogressie, ontstaan van urotheelcarcinoom van de bovenste urinewegen of overlijden ongeacht de oorzaak.
Geen verbetering
De mediane behandelduur was 52 weken in arm A en 53 weken in arm B. In arm A ontvingen de patiënten mediaan zestien kuren atezolizumab. “Er waren geen statistisch significante verschillen in het aantal events tussen beide armen (HR 0,98; p=0,91), dus geen verbetering van de EFS zoals gedefinieerd in de ALBAN-studie”, meldde Morgan Rouprêt. Ook in subgroepen, inclusief die op basis van CIS, waren geen significante verschillen zichtbaar. De overleving vrij van hooggradige recidieven was eveneens vergelijkbaar in beide armen (HR 1,06; p=0,77). De data betreffende de algehele overleving zijn nog niet matuur.
Meer bijwerkingen
“Bij NMIBC is het heel belangrijk om de bijwerkingen en toxiciteit die de behandeling veroorzaakt te evalueren”, benadrukte Rouprêt. Zoals verwacht resulteerde de toevoeging van atezolizumab aan BCG in meer behandelingsgerelateerde bijwerkingen van graad 3 of hoger (22,7% versus 8,8% in arm A), waaronder meer immuungerelateerde bijwerkingen (5,5% versus 1,2% in arm A). Met name pruritus, huiduitslag en thyreoïditis kwamen vaker voor. “Het veiligheidsprofiel van de combinatie kwam overeen met dat van de afzonderlijke middelen, zoals bekend uit de literatuur”, aldus Rouprêt.
De ALBAN-studie laat geen voordeel zien van de toevoeging van atezolizumab aan BCG bij patiënten met hoog-risico-NMIBC, concludeerde hij. “Biomarkergedreven selectie van patiënten op basis van geïntegreerde moleculaire en ruimtelijke immuunprofilering kan mogelijk helpen om de timing, duur en toedieningsroute van checkpointremmers bij NMIBC te optimaliseren.”
De resultaten van deze studie zijn op de dag van de presentatie tevens gepubliceerd in Annals of Oncology.2
Referentie
1. Rouprêt M, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): LBA107.
2. Rouprêt M, et al. Ann Oncol 2025. Doi.org/10.1016/j.annonc.2025.09.017.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist