De resultaten van de fase 2-OPTIPRIME-studie laten zien dat een stop-en-go-strategie met mFOLFOX6 plus panitumumab bij RAS/BRAF-wildtype, gemetastaseerd colorectaal carcinoom mogelijk is. Met deze strategie werd een ziektecontroleduur van 24,9 maanden bereikt, aldus prof. Jean-Baptiste Bachet (Parijs, Frankrijk). Hij presenteerde deze resultaten tijdens het ESMO Congress 2025.
Chemotherapie met een anti-EGFR-antilichaam vormt de standaardbehandeling voor patiënten met linkszijdig, RAS/BRAF-wildtype (wt), gemetastaseerd colorectaal carcinoom (mCRC), zei Jean-Baptiste Bachet. “Een stop-en-go-strategie was initieel ontwikkeld om het gebruik en de werkzaamheid van oxaliplatine te optimaliseren. Herintroductie van het middel bij progressie kan de toxiciteit van de behandeling verminderen zonder de oncologische uitkomsten nadelig te beïnvloeden”, legde hij verder uit. “Er is ook een sterke rationale voor het toepassen van een stop-en-go-strategie bij een behandeling met anti-EGFR-antilichamen. Dit vanwege de cumulatieve toxiciteit die met deze middelen kan optreden. Ook kan hiermee het risico op klonale resistentie voor anti-EGFR-antilichamen verlaagd worden.” De stop-en-go-strategie voor anti-EGFR-antilichamen is onderzocht in de multicenter, niet-gerandomiseerde fase 2-studie OPTIPRIME.1
Onderhoud met fluoropyrimidine
In deze studie werden 118 patiënten met RAS/BRAF-wt mCRC geïncludeerd. Zij hadden niet eerder een behandeling voor gemetastaseerde ziekte ontvangen. De behandeling bestond uit inductie met zes cycli mFOLFOX6 plus panitumumab. Bij ziektecontrole werd een onderhoudsbehandeling met een fluoropyrimidine gegeven. Bij progressie binnen zes weken gingen patiënten uit de studie. Bij progressie na minimaal zes weken werd behandeling met mFOLFOX6/panitumumab geherintroduceerd, waarna bij ziektecontrole opnieuw een onderhoudsbehandeling met een fluoropyrimidine gegeven werd. “Het aantal herintroducties van mFOLFOX6/panitumumab was onbeperkt”, zei Bachet. De primaire uitkomstmaat was de duur van de ziektecontrole (DDC), secundaire uitkomstmaten waren het objectieve responspercentage (ORR), de progressievrije overleving (PFS) en de algehele overleving (OS).
Mediane OS van 36,1 maanden
Na een mediane follow-up van 47,9 maanden hadden alle patiënten de inductiebehandeling ontvangen, 54% een eerste herintroductie van mFOLFOX6/panitumumab, 25% een tweede herintroductie en 10% een derde herintroductie. Bachet: “Ten tijde van deze analyse waren alle patiënten gestopt met de studie, voornamelijk vanwege ziekteprogressie.” De DDC was 24,9 maanden (90% BI 19,3-28,3). De ORR en PFS waren respectievelijk 74,8% en 9,9 maanden na de inductiebehandeling, 45,0% en 5,5 maanden na eerste herintroductie, 25,0% en 4,0 maanden na de tweede herintroductie en 27,3% en 3,8 maanden na de derde herintroductie. De mediane OS was 36,1 maanden (95% BI 27,5-39,9).
Bachet concludeerde dat de fase 2-OPTIPRIME-studie positief is met een DDC van 24,9 maanden bij het toepassen van een stop-en-go-strategie met mFOLFOX6/panitumumab in eerste behandellijn bij RAS/BRAF-wt mCRC. “Onze data ondersteunen het inzetten van een onderhoudsbehandeling met alleen een fluoropyrimidine”, besloot hij.
Referentie
1. Bachet JB, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 727MO.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 3
Commentaar dr. Jeanine Roodhart, internist-oncoloog, UMC Utrecht
Tijdens het ESMO Congress 2025 werden tal van veelbelovende resultaten gepresenteerd van studies naar nieuwe behandelingen bij patiënten met colorectale tumoren. Bijvoorbeeld de resultaten van de grote, gerandomiseerde fase 2/3-DYNAMIC-III-studie, waarin werd onderzocht of het veilig is om de standaard adjuvante chemotherapie te de-escaleren bij patiënten met een gereseceerd stadium III-coloncarcinoom en een negatieve circulerend tumor-DNA (ctDNA)-status. Hiertoe werden de patiënten 1:1 toegewezen aan standaard chemotherapie naar keuze van de onderzoeker of ctDNA-gestuurde behandeling. Ten aanzien van de patiënten in de ctDNA-arm diende de internist-oncoloog van tevoren aan te geven welk adjuvant schema hij/zij wilde geven. Bij ctDNA-negatieve patiënten werd dat specifieke schema dan gede-escaleerd, bijvoorbeeld door de duur van de adjuvante behandeling te verkorten of een minder intensief regime te geven. Uit de resultaten bleek dat oxaliplatine-bevattende adjuvante chemotherapie bij 34,8% van de patiënten in de ctDNA-arm werd gegeven vergeleken met 88,6% van de patiënten in de standaardarm (p<0,001).1,2 De recidiefvrije overleving, de primaire uitkomstmaat, was iets slechter in de ctDNA-arm: 85,3% versus 88,1% in de standaardarm. Omdat de ondergrens van het betrouwbaarheidsinterval iets groter was dan 7,5%, kon er geen non-inferioriteit worden vastgesteld voor de ctDNA-geleide behandeling vergeleken met de standaardbehandeling. Vooralsnog komen er in studies zoals DYNAMIC-III nog te veel fout-negatieve resultaten voor om ook in de dagelijkse praktijk de adjuvante behandeling te sturen op basis van de ctDNA-status. Er zijn wel aanwijzingen dat combinaties met andere (bio)markers, zoals het klinisch stadium, een sterkere predictieve waarde kunnen hebben.
In een andere studie werden de resultaten van de NICHE-2- en FOxTROT-studie met elkaar vergeleken. In de eenarmige NICHE-2-studie onderzocht men de uitkomst van neoadjuvante behandeling met nivolumab en ipilimumab gevolgd door chirurgie bij patiënten met mismatch-repairdeficiënt (dMMR), lokaal gevorderd coloncarcinoom. In de gerandomiseerde fase 3-FOxTROT-studie werd perioperatieve chemotherapie vergeleken met chirurgie gevolgd door adjuvante chemotherapie bij patiënten met lokaal gevorderd coloncarcinoom, inclusief die met dMMR. Uit de gematchte vergelijking van de dMMR-patiënten bleek dat de ziektevrije overleving (DFS) na drie jaar 100% was met neoadjuvante immunotherapie, zoals gegeven in de NICHE-2-studie, en 80% met de in de FOxTROT-studie gegeven behandelingen (p<0,001).3 De vraag is nu hoe de positieve resultaten van de goed uitgevoerde NICHE-2-studie standhouden in een real-worldstudie. Zelf denk ik dat het DFS-verschil bij patiënten met T4-tumoren vrij duidelijk is en we bij deze patiënten een voorkeur hebben voor neoadjuvante immunotherapie, maar voor patiënten met T3-tumoren is dit nog maar de vraag en ligt eerst operatie en afhankelijk van het pathologisch stadium gericht adjuvante behandeling misschien meer voor de hand.
In de fase 2-OPTIPRIME-studie werden de werkzaamheid en veiligheid onderzocht van een stop-en-go-strategie met mFOLFOX6 plus panitumumab bij patiënten met RAS/BRAF-wildtype, gemetastaseerd colorectaal carcinoom. Volgens deze strategie kregen de patiënten een inductiebehandeling van zes cycli mFOLFOX6 plus panitumumab en vervolgens bij ziektecontrole een onderhoudsbehandeling met een fluoropyrimidine. Bij progressie na minimaal zes weken werd behandeling met mFOLFOX6 plus panitumumab geherintroduceerd, waarna bij ziektecontrole opnieuw een onderhoudsbehandeling met een fluoropyrimidine gegeven werd. Bij progressie binnen zes weken gingen de patiënten uit de studie. De resultaten lieten zien dat de stop-en-go-strategie geassocieerd was met een ziektecontroleduur van 24,9 maanden, een zeer goed resultaat in deze setting.4 Bovendien verminderde deze strategie de toxiciteit, met name in de huid. Deze stop-en-go-strategie lijkt daarom een aantrekkelijker alternatief dan een continue behandeling met mFOLFOX6 plus panitumumab.
Referenties
1. Tie J, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA9.
2. Tie J, et al. Nat Med 2025. doi: 10.1038/s41591-025-04030-w.
3. Seligmann J, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 724O.
4. Bachet JB, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 727MO.
In een podcast met prof. dr. ir. Koos van der Hoeven bespreekt dr. Jeanine Roodhart naast bovenstaande studies onder andere ook de INTERCEPT-studie, waarin de klaring van ctDNA werd gecorreleerd met de klinische uitkomst bij patiënten met colorectaal carcinoom die met curatieve intentie waren behandeld, en de PEGASUS-studie, waarin werd onderzocht of de ctDNA-status de behandelstrategie kan sturen bij patiënten met colorectaal carcinoom na chirurgie en adjuvante behandeling. Ook worden de resultaten besproken van de CheckMate 8HW-studie, waarin de uitkomst werd vergeleken tussen nivolumab plus ipilimumab versus nivolumab-monotherapie bij patiënten met gemetastaseerd, dMMR colorectaal carcinoom.
Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts