Bij patiënten met niet-kleincellig longcarcinoom en een resectabele of borderline resectabele tumor leidde behandeling met twee kuren neoadjuvant durvalumab plus chemotherapie, gevolgd door herbeoordeling, ertoe dat 85,7% van de patiënten een resectie kon ondergaan. Prof. dr. Martin Reck (Großhansdorf, Duitsland) presenteerde deze interimresultaten van de MDT-BRIDGE-studie tijdens het ESMO Congress 2025.
Immunotherapie heeft de behandeluitkomsten van patiënten met niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC) verbeterd. In studies profiteerden patiënten met een resectabele tumor van de perioperatieve toevoeging van durvalumab, bij patiënten met een niet-resectabele tumor bood consolidatietherapie met durvalumab voordeel. De beste strategie voor borderline resectabele tumoren is echter nog niet goed onderzocht.
MDT-BRIDGE
In de fase 2-MDT-BRIDGE-studie werden niet eerder behandelde patiënten met stadium IIB-IIIB-NSCLC geïncludeerd van wie in een multidisciplinair overleg (MDO) werd bepaald of de tumoren resectabel dan wel borderline resectabel waren.1 Alle patiënten (n=84) kregen twee kuren durvalumab plus platinabevattende chemotherapie (meestal carboplatine), en vervolgens werd de resectabiliteit opnieuw beoordeeld in een tweede MDO. Patiënten met een resectabele tumor kregen nog twee kuren chemo-immunotherapie gevolgd door resectie. Patiënten bij wie de tumor werd beoordeeld als niet-resectabel kregen chemoradiatie. Bij alle patiënten volgde daarna een jaar lang durvalumab. De primaire uitkomstmaat was het resectiepercentage.
Uitbreiding resectabel cohort
“Alle patiënten ontvingen de geplande twee kuren met neoadjuvant durvalumab en chemotherapie”, meldde Martin Reck. “Bijna alle patiënten (95,2%) waren in staat om een resectie te ondergaan of om behandeld te worden met chemoradiatie.”
In totaal onderging 85,7% van de patiënten een resectie, bij de meesten was dit een R0-resectie. “Dit suggereert dat herbeoordeling door een MDO na twee kuren durvalumab plus chemotherapie resulteerde in uitbreiding van het resectabele cohort”, aldus Reck. In de groep met een borderline resectabele tumor werden 23 van de 28 patiënten (82,1%) door het MDO herbeoordeeld als resectabel. In de groep met een resectabele tumor bij diagnose was 94,6% na herbeoordeling nog steeds resectabel.
Van de patiënten die werden herbeoordeeld als resectabel vertoonde 60,5% een respons na voltooiing van de neoadjuvante behandeling, en 27,6% bereikte een pathologisch complete respons. Patiënten die in eerste instantie als resectabel waren beoordeeld, bereikten vaker een pCR dan degenen die in eerste instantie borderline resectabel werden geacht. Zowel na resectie als na chemoradiatie startte de meerderheid van de patiënten met durvalumab.
Geen nieuwe toxiciteit
De toxiciteit van perioperatief durvalumab kwam overeen met wat gezien was in eerdere studies. “De meeste bijwerkingen waren van graad 1-2, en er waren weinig bijwerkingen die leidden tot stopzetten van de behandeling met durvalumab (6,1%)”, zei Reck. Immuungemedieerde bijwerkingen kwamen voor bij 11,5% van de patiënten.
Ook in de groep patiënten die chemoradiatie kreeg werd geen nieuwe toxiciteit gezien. In deze kleine groep leek starten met neoadjuvante therapie er niet voor te zorgen dat patiënten niet meer in aanmerking kwamen voor chemoradiatie, al is een langere follow-up nodig om de resultaten te kunnen beoordelen. “Het percentage bijwerkingen dat leidde tot dosisonderbreking, stopzetten van de behandeling of vertraging van de radiotherapie was zeer laag”, aldus Reck.
“Door te starten met twee kuren neoadjuvant durvalumab plus chemotherapie en een nauwgezette MDO-follow-up zouden meer patiënten een behandeling met curatieve intentie kunnen krijgen”, concludeerde hij.
Referentie
1. Reck M, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstract LBA65.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 3
Commentaar dr. Lizza Hendriks, longarts, Maastricht UMC+
In de OptiTROP-Lung04-studie werd een antilichaam-geneesmiddelconjugaat (ADC), sacituzumab tirumotecan (sac-TMT) vergeleken met platinabevattende chemotherapie na progressie op EGFR-TKI’s bij EGFR-gemuteerd, gemetastaseerd niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC).1 De resultaten waren interessant: zowel de progressievrije overleving (PFS) als de algehele overleving (OS) was significant beter. Dit was een Chinese studie en de studieopzet was niet helemaal conform de reguliere zorg in Nederland, omdat er in Nederland standaard als eerstelijnsbehandeling een derde generatie-EGFR-TKI wordt gestart. Een kanttekening is ook dat de werking in de hersenen nog niet voldoende is aangetoond. Een wereldwijde studie met TROP2-gerichte therapie is nog gaande. Deze ADC’s lijken te werken, en we zullen moeten leren omgaan met de toxiciteit, zoals stomatitis.
Het bispecifieke antilichaam ivonescimab, gericht tegen PD-1 en VEGF, heeft mogelijk een synergistische werking. In een andere Chinese studie liet ivonescimab-chemotherapie een significant PFS-verschil zien ten opzichte van tislelizumab-chemotherapie bij gevorderd plaveiselcel-NSCLC.2 Belangrijk is dat bijwerkingen gerelateerd aan angiogeneseremming, zoals bloedingen, erg meevielen. Dit moet nog bevestigd worden in een Westerse populatie en er lopen meerdere wereldwijde studies in de eerste lijn. Belangrijk is ook om de OS-resultaten af te wachten. In het verleden hebben veel angiogeneseremmers een significante PFS-winst laten zien, maar viel de uiteindelijke OS-winst tegen.
In de MDT-BRIDGE-studie werd neoadjuvante chemo-immunotherapie geëvalueerd bij patiënten met resectabel of borderline resectabel NSCLC.3 Na een nieuwe beoordeling volgden bij resectabele tumoren nog twee kuren chemo-immunotherapie, resectie en adjuvante immunotherapie. Patiënten met niet-resectabele tumoren gingen door naar chemoradiatie, gevolgd door adjuvante immunotherapie. In totaal kon bij 86% van de patiënten een resectie worden uitgevoerd. Van de patiënten bij wie uiteindelijk geen resectie mogelijk was, kwam de meerderheid uit de groep met een borderline resectabele tumor. Deze werden vrijwel allemaal met chemoradiatie behandeld, maar de follow-up is nog te kort om de uitkomsten (inclusief bijwerkingen zoals pneumonitis) daarvan te beoordelen.
De Nederlandse PAULIEN-studie liet zien dat toevoeging van chemotherapie aan eerstelijns pembrolizumab geen voordeel biedt voor patiënten met gevorderd NSCLC en hoge PD-L1-expressie.4 Bij hoge PD-L1-expressie is monotherapie met immunotherapie de standaardbehandeling, tenzij de patiënt nooit gerookt heeft en als er geen targetable drivermutaties aanwezig zijn. Veel centra voegen toch chemotherapie toe om snellere tumorreductie of een betere overleving te bereiken. Daarom is het belangrijk dat deze studie gedaan is. De studie is vroegtijdig gesloten, omdat de primaire uitkomstmaat, het objectieve responspercentage, niet significant verschillend was. Hoewel de studie hier niet voor gepowerd was, werden er ook geen verschillen in PFS of OS gezien.
Bij kleincellig longcarcinoom (SCLC) wordt voor het eerst sinds lange tijd vooruitgang gezien, met het middel tarlatamab. Dit is een bispecifieke T-cel-engager die bindt aan CD3 op T-cellen en DLL3 op kankercellen. Het is als tweedelijnsbehandeling geregistreerd door de FDA, maar in Nederland alleen beschikbaar in een expanded-access-programma. In de fase 1b-DeLLphi-303-studie werd de toevoeging van tarlatamab aan chemo-immunotherapie in de eerste lijn bij SCLC onderzocht.5 De toxiciteit van deze combinatie viel erg mee. T-cel-engagers geven vooral cytokinereleasesyndroom en neurologische toxiciteit (ICANS), maar in deze studie viel het mee en waren die bijwerkingen vooral van graad 1-2. Dit is wel toxiciteit om alert op te zijn, vooral tijdens de eerste twee giften. Maar het middel lijkt veilig te kunnen worden gebruikt, en de hoge mate van respons en overleving na een jaar zijn veelbelovend.
Referenties
1. Zhang L, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA5.
2. Lu S, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA4.
3. Reck M, et al. Ann Oncol. 2025; 36 (suppl_2): abstract LBA65.
4. Houda I, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 1851MO.
5. Wermke M, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 2757O.
In een podcast met prof. dr. ir. Koos van der Hoeven gaat dr. Lizza Hendriks ook in op de FLAURA2-studie met osimertinib, de NorthStar-studie met lokale consolidatietherapie, de finale OS-data met alectinib, vroege-fasestudies met HER2-gerichte therapie en studies met anti-TIGIT. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts