De driejaars-update van de SWOG-studie S1801 laat een aanhoudend voordeel zien, met een betere recidiefvrije en algehele overleving, van neoadjuvant plus adjuvant pembrolizumab ten opzichte van alleen adjuvant pembrolizumab bij resectabel stadium III-IV-melanoom. Dr. Vernon Sondak (Tampa, Verenigde Staten) presenteerde deze resultaten tijdens het ESMO Congress 2025.
S1801 is een gerandomiseerde fase 2-studie waarin wordt onderzocht of neoadjuvante plus adjuvante immunotherapie een voordeel biedt ten opzichte van alleen adjuvante immunotherapie bij patiënten met resectabel stadium III-IV-melanoom. In de neoadjuvante arm kregen de patiënten drie kuren pembrolizumab (200 mg i.v. elke drie weken) voorafgaand aan de operatie en vijftien kuren daarna, in de adjuvante arm werd alleen adjuvant pembrolizumab gegeven (achttien kuren). De eerste resultaten, na 14,7 maanden follow-up, lieten een aanzienlijke en statistisch significante verbetering van de eventvrije overleving (EFS) zien (HR 0,58; p=0,004).1 Een positief effect werd ook gevonden in de vergelijkbare NADINA-studie, waarin neoadjuvant ipilimumab + nivolumab met of zonder adjuvante therapie werd vergeleken met alleen adjuvant nivolumab.2
Vernon Sondak presenteerde tijdens het ESMO Congress 2025 een update van de S1801-studie bij een mediane follow-up van 44 maanden.3 “Hierbij hebben alle patiënten het behandelprotocol afgerond en zijn alle gerandomiseerde patiënten meegenomen. De definitie van de EFS werd geharmoniseerd met die van de NADINA-studie, om de beide studies beter met elkaar te kunnen vergelijken”, zei Sondak.
Betere EFS, RFS en OS
De driejaars-EFS in de intention-to-treatpopulatie was 68% met neoadjuvant pembrolizumab versus 56% met alleen adjuvant pembrolizumab (HR 0,67; p=0,02). Neoadjuvante behandeling resulteerde ook in een significante verbetering van de recidiefvrije overleving (RFS); na drie jaar was deze 80% in de neoadjuvante arm versus 60% in de adjuvante arm (HR 0,42; p=0,0002). De algehele overleving (OS) was ook in het voordeel van neoadjuvant pembrolizumab, al was het verschil niet significant (HR 0,66; p=0,06), met een driejaars-OS van 84% versus 73%.
Na behandeling met neoadjuvant pembrolizumab vertoonde 37,7% van de patiënten een pathologisch complete respons. Patiënten die een pathologisch complete of bijna complete respons bereikten hadden een betere RFS en OS dan degenen met een pathologisch partiële respons of geen pathologische respons.
De toxiciteit was vergelijkbaar in beide armen en er waren geen nieuwe veiligheidssignalen. Behandelingsgerelateerde bijwerkingen van graad 3-4 kwamen voor bij 21% van de patiënten in de neoadjuvante arm en 18% in de adjuvante arm, en bijwerkingen die leidden tot stopzetten van de behandeling kwamen voor bij respectievelijk 13 en 10% van de patiënten.
“Na een follow-up van minimaal drie jaar, waarbij alle patiënten het protocol hebben afgerond, zijn de resultaten van S1801 nog steeds sterk in het voordeel van de neoadjuvante + adjuvante behandeling ten opzichte van alleen adjuvante behandeling”, concludeerde Sondak.
Referenties
1. Patel SP, et al. N Engl J Med 2023;388:813-23.
2. Blank CU, et al. N Engl J Med 2024;391:1696-708.
3. Patel SP, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 1601O.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 3
Commentaar prof. dr. Karijn Suijkerbuijk, internist-oncoloog, UMC Utrecht
Patiënten met gemetastaseerd uveaal melanoom hebben beperkte behandelopties. Het bispecifieke antilichaam tebentafusp werkt alleen bij HLA-A*02:01-positieve patiënten, ongeveer de helft van deze populatie. De overige patiënten kunnen, als ze fit zijn en aan bepaalde criteria voldoen, behandeld worden met ipilimumab + nivolumab (ipi+nivo). Omdat uveaal melanoom hoofdzakelijk metastaseert naar de lever, is leverperfusie met melfalan een optie. In de gerandomiseerde CHOPIN-studie van Ellen Kapiteijn resulteerde perfusie met melfalan in combinatie met ipi+nivo in een significant betere progressievrije overleving (PFS) ten opzichte van perfusie met alleen melfalan, met een HR van 0,34.1 Er was ook een significant verschil in algehele overleving (OS) en dit verschil was zodanig dat het wel relevant lijkt te zijn, al was de studie daar niet voor ontwikkeld. Deze studie laat ook zien dat het goed is om patiënten met uveaal melanoom gecentraliseerd te behandelen, zoals gebeurt in het Leids Universitair Medisch Centrum, en het is heel mooi dat op die manier deze studie kon worden uitgevoerd.
In de fase 3-NADINA-studie werden patiënten met stadium III-melanoom gerandomiseerd tussen neoadjuvant ipi+nivo of adjuvant nivolumab. Patiënten in de neoadjuvante groep die een pathologisch complete of bijna complete respons vertoonden kregen geen adjuvant nivolumab meer. De update bevestigt de verbetering van de eventvrije overleving (EFS) en afstandsmetastasevrije overleving, met een verschil van bijna 20% in EFS na twee jaar.2 Wel viel op dat de subgroep met een bijna complete respons het nu slechter leek te doen, wat de vraag oproept of zij toch adjuvante therapie moeten krijgen. Dit betreft een klein aantal patiënten en moet verder uitgezocht worden. Biomarkeranalyse laat zien dat patiënten met een hoge tumor mutational burden en patiënten die positief zijn voor PD-L1-expressie of voor de interferon-γ-signatuur betere behandeluitkomsten hebben. Daarmee zou je voor start kunnen zien wie meer of minder behandeling nodig heeft.
De SWOG S1801-studie is een gerandomiseerde fase 2-studie waarin bij klinisch gedetecteerd, resectabel stadium III- of IV-melanoom neoadjuvant en adjuvant pembrolizumab vergeleken werd met alleen adjuvant pembrolizumab. De update na drie jaar laat nog steeds een verbetering van de EFS zien, met een HR van 0,67.3 De OS was nog niet significant verschillend. Hierbij moet opgemerkt worden dat nog van geen enkele neoadjuvante behandeling OS-winst is aangetoond.
De Nederlandse Safe Stop-studie is een enkelarms studie waarin 200 patiënten met gemetastaseerd melanoom zijn geïncludeerd die stopten met PD-1-remmers bij een bevestigde partiële of complete respons, na mediaan zes maanden. Na twee jaar had 82% een doorgaande respons, met een OS en melanoomspecifieke overleving van meer dan 95%.4 Eerder stoppen lijkt veilig te kunnen, al was dit geen gerandomiseerde studie. Data uit de Dutch Melanoma Treatment Registry van patiënten met een partiële respons die wel de behandeling van twee jaar hebben afgemaakt kunnen mogelijk laten zien dat de resultaten niet zo verschillend zijn. Sinds deze studie zien we dat in Nederland steeds vaker wordt gestopt bij een respons, met als gevolg minder ziekenhuisbezoeken en toxiciteit voor de patiënt en minder zorgkosten.
Referenties
1. Kapiteijn E, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA59.
2. Lucas M, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA57.
3. Patel SP, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 1601O.
4. De Joode K, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA61.
In een podcast met prof. dr. ir. Koos van der Hoeven gaat prof. dr. Karijn Suijkerbuijk ook in op andere studies bij het uveaal melanoom, real-worlddata met neoadjuvante immunotherapie en een studie met adjuvante immunotherapie gebaseerd op pathologische respons na neoadjuvant nivolumab. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts