ESMO19 - Vergelijkbare werkzaamheid tussen S-1 en capecitabine bij Westerse mCRC-patiënten

05-11-2019 Robert Jan Kwakman 2019

Een behandeling met de orale fluoropyrimidine S-1 geeft een significant lagere incidentie van het hand-voetsyndroom ten opzichte van capecitabine bij patiënten met gemetastaseerd colorectaal carcinoom (mCRC). Dit bleek uit eerder gepubliceerde resultaten van de SALTO-studie. De geüpdatete overlevingsdata die dr. Robert Jan Kwakman, Amsterdam UMC, tijdens het ESMO 2019 congres in Barcelona, Spanje, toonde lijken te suggereren dat beide middelen daarnaast een vergelijkbare effectiviteit hebben.1

Het hand-voetsyndroom is een bekende bijwerking van een behandeling met capecitabine. S-1 is een orale fluoropyrimidine met een vergelijkbare effectiviteit als capecitabine bij gastro-intestinale tumoren.2 Het middel is daarbij geassocieerd met een lagere incidentie van het hand-voetsyndroom bij Aziatische patiënten.2 Ook de resultaten van de multicenter, open-label fase 3-SALTO-studie, een onderzoek van de Dutch Colorectal Cancer Group, bij een groep Westerse mCRC-patiënten lieten zien dat de patiënten die behandeld waren met S-1 minder vaak hand-voetsyndroom rapporteerden ten opzichte van de patiënten die behandeld waren met capecitabine.3 De overlevingsdata waren ten tijde van deze publicatie echter nog prematuur. Tijdens het ESMO 2019 congres presenteerde Robert Jan Kwakman de geüpdatete gegevens met betrekking tot de algehele overleving (OS) van de SALTO-studie.
In deze studie werden 161 voorheen onbehandelde mCRC-patiënten geïncludeerd die in aanmerking kwamen voor monotherapie met een fluoropyrimidine. Zij werden gerandomiseerd naar capecitabine (tweemaal daags op dag 1 tot 14 met een dosering van 1.250 mg/m2 voor patiënten jonger dan zeventig jaar of 1.000 mg/m2 voor patiënten van zeventig jaar of ouder) of S-1 (tweemaal daags op dag 1 tot 14 met een dosering van 30 mg/m2 ongeacht de leeftijd). Een aanvullende behandeling met bevacizumab werd overgelaten aan de lokale behandelaars. De primaire uitkomstmaat van de studie was de incidentie van het hand-voetsyndroom. Secundaire uitkomstmaten waren onder andere de progressievrije overleving (PFS) en OS.
In totaal werden 81 patiënten behandeld met capecitabine en 80 met S-1. Bevacizumab werd in beide groepen aan 59% van de patiënten gegeven. De resultaten wat betreft de primaire uitkomstmaat, de incidentie van het hand-voetsyndroom, waren onveranderd: 45 versus 73% voor S-1 versus capecitabine, alle graden, OR 0,31 (95% BI 0,16-0,60; p=0,0005). De mediane PFS was 8,2 maanden voor de capecitabinegroep en 8,4 maanden voor de S-1-groep (HR 1,02; 95% BI 0,75-1,40; p=0,89). De mediane OS was respectievelijk 17,1 maanden en 17,0 maanden (HR 1,07; 95% BI 0,76-1,49; p=0,70).
Hoewel de studie niet was opgezet om non-inferioriteit van S-1 aan te tonen, concludeerden de onderzoekers dat de nu gepresenteerde overlevingsdata van de SALTO-studie sterk doen vermoeden dat een behandeling met S-1 - naast een lagere incidentie van het hand-voetsyndroom - een vergelijkbare werkzaamheid heeft als capecitabine bij Westerse mCRC-patiënten.

Referenties

1. Kwakman JJM, et al. Ann Oncol 2019;30(suppl_5):v198-v252.
2. Hong YS, et al. Lancet Oncol 2012;13:1125-32.
3. Kwakman JJ, et al. Ann Oncol 2017;28:1288-93.

Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist