Neoadjuvante chemotherapie plus een lage dosering pembrolizumab gaf meer pathologisch complete responsen (pCR) dan neoadjuvante chemotherapie alleen bij patiënten met stadium II/III triple-negatieve borstkanker. Dit bleek uit de PLANeT-studie, waarvan dr. Atul Batra (New Delhi, India) de resultaten tijdens het ESMO Congress 2025 presenteerde. “We zagen een absoluut verschil in pCR van 13,3% in het voordeel van de experimentele groep.”
In de KEYNOYE-522-studie gaf het toevoegen van pembrolizumab (200 mg elke drie weken, gedurende vier cycli) aan neoadjuvante chemotherapie bij patiënten met vroege triple-negatieve borstkanker (TNBC) een verbetering van de pCR en de eventvrije en algehele overleving.1 “Maar in de dagelijkse praktijk is de toegang tot pembrolizumab beperkt vanwege ‘financiële toxiciteit’”, zei Atul Batra. “Daarnaast hebben verschillende studies laten zien dat lagere doseringen van immuuncheckpointremmers ook werkzaam kunnen zijn. Met dit als achtergrond is de PLANeT-studie opgezet.”
In deze open-label fase 2-studie werden 160 patiënten met stadium II/III-TNBC gerandomiseerd.2 Zij ontvingen een neoadjuvante behandeling met vier cycli doxorubicine en cyclofosfamide (elke twee weken) gevolgd door vier cycli paclitaxel (elke twee weken) met of zonder drie cycli pembrolizumab in een dosering van 50 mg elke zes weken. Het neoadjuvante regime werd gevolgd door chirurgie. De primaire uitkomstmaat van de studie was het pCR-percentage. Van de geïncludeerde patiënten had 50 tot 55% een T3- of T4-tumor, ongeveer 85% positieve lymfeklieren en net iets meer dan de helft stadium III-ziekte.
pCR bij 53,8%
In de intention-to-treatpopulatie behaalde 53,8% van de patiënten in de experimentele groep met chemotherapie plus een lage dosis pembrolizumab een pCR versus 40,5% in de controlegroep met alleen chemotherapie. “Dit verschil was statistisch significant”, zei Batra (p=0,047). De subgroepanalyse bracht geen verband aan het licht tussen de behandeling en de leeftijd, stadium van de primaire tumor, klierstatus of HER2-status, liet hij verder zien. “We zagen in de groep met T3-/T4-tumoren wel meer pCR’s in de experimentele groep (46,5%) dan in de controlegroep (25,0%). Maar de patiëntaantallen waren waarschijnlijk te klein om een relatie aan te tonen.” Verder was er bij 71,6% van de patiënten in de experimentele groep sprake van een resterende tumorlast van 0 of 1, versus bij 61,0% in de controlegroep. De kwaliteit van leven was vergelijkbaar tussen beide groepen.
Toegang verbeteren
Bijwerkingen van elke graad werden in beide groepen bij ongeveer 92% van de patiënten gerapporteerd. Batra: “Opvallend was dat diarree en anemie vaker voorkwamen in de controlegroep.” De behandeling met pembrolizumab gaf bij 10,3% van de patiënten in de experimentele groep een thyreoïddisfunctie en bij 3,8% een hypofitis. In de experimentele groep overleed één patiënt aan toxische epidermale necrolyse met secundaire sepsis en multiorgaanfalen.
Batra concludeerde dat een lage dosis pembrolizumab toegevoegd aan neoadjuvante chemotherapie een betere pCR gaf dan chemotherapie alleen bij stadium II/III-TNBC. “Er is duidelijk behoefte aan het herzien van de doseringen van immuuncheckpointremmers om de toegang tot deze middelen te verbeteren en de financiële toxiciteit te verminderen”, besloot hij.
Referenties
1. Schmid P, et al. N Engl J Med 2020;382:810-21.
2. Batra A, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA15.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 3
Commentaar dr. Marleen Kok, internist-oncoloog, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam
Het toevoegen van pembrolizumab aan neoadjuvante chemotherapie bij vroeg-stadium triple-negatieve borstkanker (TNBC) verbetert het percentage pathologisch complete responsen (pCR’s) en de ziektevrije overleving (DFS). In de Indiase PLANeT-studie, gepresenteerd tijdens het ESMO Congress 2025, is onderzocht of een lage dosis pembrolizumab toegevoegd aan neoadjuvante chemotherapie ook goede uitkomsten zou geven.1 Het chemotherapieregime bestond uit doxorubicine, cyclofosfamide en paclitaxel (zonder carboplatine); pembrolizumab werd toegediend in een dosering van slechts 50 mg elke 6 weken. De resultaten waren indrukwekkend: 53,8% van de patiënten in de pembrolizumabgroep behaalde een pCR versus 40,5% met chemotherapie alleen. Het aantal bijwerkingen was vergelijkbaar met de reguliere dosering pembrolizumab, wat erop wijst dat zelfs een lage dosering pembrolizumab al een sterke immuunrespons kan opwekken. Ik hoop dat dit een vervolg zal krijgen, zeker omdat pembrolizumab in veel landen nog niet verkrijgbaar is of veel te duur is.
Tijdens het ESMO-congres was er veel aandacht voor de antilichaam-geneesmiddelconjugaten (ADC’s) bij borstkanker, waaronder trastuzumab deruxtecan (T-DXd) voor HER2-positieve ziekte. In de DESTINY-Breast11-studie werden 300 patiënten met hoog-risico, vroege borstkanker gerandomiseerd naar T-DXd gevolgd door paclitaxel, trastuzumab en pertuzumab (T-DXd-THP), dose-dense doxorubicine plus cyclofosfamide gevolgd door THP (ddAC-THP) of T-DXd-monotherapie.2 De monotherapiegroep werd voortijdig gestopt wegens mogelijk een te lage kans op een pCR. In de T-DXd-THP-groep behaalde 67,3% van de patiënten een pCR versus 56,3% in de ddAC-THP-groep. Er kwamen echter kritische vragen over de controlegroep. ddAC-THP wordt in de praktijk niet veel meer gebruikt en gaat gepaard met veel toxiciteit. Hierdoor heeft de controlegroep naar mijn mening een te zware behandeling gehad en ik verwacht niet dat deze studie de Nederlandse praktijk gaat veranderen, mede omdat we nu ook alleen pCR-data hebben gezien uit een relatief kleine studie.
In de DESTINY-Breast05 werd een adjuvante behandeling met trastuzumab emtansine (T-DM1) vergeleken met T-DXd bij hoog-risico, HER2-positieve, vroege borstkanker met restziekte na neoadjuvante therapie.3 Hoog risico betekende in dit geval klinisch stadium T4 of betrokkenheid van meerdere lymfeklieren; dat is echt een groep die ondanks de al best goede standaardbehandeling nog een relatief slechte overleving heeft. De DFS was significant beter met T-DXd, met een HR van 0,47 en een absoluut verschil van 8%. De driejaars-DFS bedroeg 92% met T-DXd versus 83% met T-DM1. Dit zijn belangrijke resultaten waar Nederlandse patiënten hopelijk ook profijt van gaan hebben. Op basis van de PASKWIL-criteria lijkt voorlopige goedkeuring gerechtvaardigd. Wel blijft interstitiële longziekte een zorg, een bijwerking waar twee patiënten in deze studie aan overleden.
In Nederland kunnen patiënten met oligogemetastaseerde ziekte momenteel neoadjuvant T-DXd krijgen in de ANISE-studie.
Er werden ook interessante studies gepresenteerd over andere ADC’s. In de ASCENT-03-studie werd sacituzumab govitecan (SG) in eerste behandellijn vergeleken met chemotherapie bij patiënten met niet eerder behandelde, gemetastaseerde TNBC die niet in aanmerking kwamen voor PD-(L)1-remmers.4 De progressievrije overleving (PFS) verbeterde weliswaar significant met 2,8 maanden, maar deze winst is te beperkt om te voldoen aan de PASKWIL-criteria. Deze studie zal de Nederlandse praktijk daarom waarschijnlijk niet veranderen.
In de TROPION-Breast02 is datopotamab deruxtecan (dato-DXd) onderzocht versus chemotherapie bij patiënten met lokaal gevorderd, inoperabel of gemetastaseerd TNBC voor wie immunotherapie geen optie was.5 De PFS-winst bedroeg 5,2 maanden, met een HR voor algehele overleving (OS) van 0,79. Hoewel dit middel in Nederland nog niet beschikbaar is en deze OS-resultaten nog onvoldoende zijn voor goedkeuring, biedt de PFS-winst mogelijk toch perspectief voor ook de Nederlandse patiënt.
Tot slot werden de OS-data van de SONIA-studie, naar de plaats van CDK4/6-remmers, gepresenteerd.6 Net als bij de PFS bleek het ook voor OS niet uit te maken of deze middelen in de eerste of tweede lijn worden gegeven. Een subgroepanalyse suggereerde wel een OS-voordeel voor premenopauzale vrouwen bij gebruik in de eerste lijn, maar niet voor postmenopauzale vrouwen. In de discussie werd opgemerkt dat de controlearm slechter presteerde dan in de eerdere registratiestudies. Dit komt waarschijnlijk doordat de SONIA niet de strikte inclusiecriteria hanteerde van de registratiestudies, maar juist een heel pragmatische opzet had met ruimere inclusiecriteria, waardoor de patiëntengroep beter de dagelijkse praktijk weerspiegelt.
Referenties
1. Batra A, et al. Ann Oncol 2025;36(Suppl_2): abstr LBA15.
2. Harbeck N, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 291O.
3. Geyer Jr. CE, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA1.
4. Cortés J, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA20.
5. Dent R, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA21.
6. Wortelboer N, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr 487MO.
In een podcast bespreken prof. dr. ir. Koos van der Hoeven en dr. Marleen Kok naast bovenstaande studies ook OS-resultaten van de monarchE- en NATALEE-studie, de POSITIVE-studie en de DESTINY-Breast09. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts