Een behandeling met niet zes maar drie cycli platinabevattende chemotherapie voorafgaand aan een onderhoudsbehandeling met avelumab, geeft een significant betere kwaliteit van leven bij gevorderd urotheelcarcinoom. Dit blijkt uit de resultaten van een academische fase 2-studie, die dr. Enrique Grande Pulido (Madrid, Spanje) tijdens het ESMO Congress 2025 presenteerde. “De mediane algehele overleving was gelijk in beide studiegroepen, al kan non-inferioriteit niet geclaimd worden wegens beperkingen in de studieopzet.”
De eerstelijnsbehandeling voor gevorderd urotheelcarcinoom (UC) is de laatste jaren enorm veranderd, waarbij enfortumab vedotin (EV) plus pembrolizumab de nieuwe standaard is geworden. “Maar dit regime is niet in elk land verkrijgbaar of vergoed”, zei Enrique Grande. “Daarom wordt platinabevattende chemotherapie nog veel gebruikt in deze setting. Daarbij geven we historisch gezien zes cycli chemotherapie. Het idee was namelijk dat een langere blootstelling betere responspercentages en een betere progressievrije overleving (PFS) en algehele overleving (OS) zouden geven. Maar dit is nooit prospectief bewezen.”
In de gerandomiseerde, academische fase 2-studie DISCUS is onderzocht of drie cycli platinabevattende chemotherapie voorafgaand aan onderhoud met avelumab, een betere kwaliteit van leven zou geven dan zes cycli chemotherapie.1
Finale analyse
In de DISCUS werden 267 patiënten met lokaal gevorderd of gemetastaseerd UC gerandomiseerd naar drie cycli (3C) of zes cycli (6C) gemcitabine plus cisplatine of carboplatine, gevolgd door een onderhoudsbehandeling met avelumab (maximaal twee jaar). De primaire uitkomstmaten waren de gemiddelde verandering in patiëntgerapporteerde uitkomsten volgens de EORTC Core Quality of Life Questionnaire (QLQ-C30) van baseline tot het voltooien van cyclus 6, en de OS. Grande presenteerde de finale analyse van de kwaliteit van leven en een interimanalyse van de OS. “133 patiënten ontvingen drie cycli chemotherapie en 134 patiënten zes”, zei hij. In totaal ontving 72% van de patiënten in de 3C-groep een onderhoudsbehandeling met avelumab, versus 56% van de patiënten in de 6C-groep. Ook liet Grande zien dat 74% van de patiënten in de 3C-groep de chemotherapiebehandeling voltooide. “Dit was slechts 40% in de 6C-groep.”
Mediane OS gelijk
De DISCUS-studie bleek positief: de gemiddelde verandering in kwaliteit van leven was statistisch significant verschillend tussen beide groepen in het voordeel van de 3C-groep (met een verschil van 8,5 punt in EORTC-QLQ-C30-score; p=0,016). De mediane OS was gelijk tussen beide groepen (18,9 maanden; HR 1,15; 95% BI 0,72-1,66; p=0,56). Grande: “Dit is de nieuwe benchmark voor OS voor gevorderd UC bij inductie met platinabevattende chemotherapie en onderhoud met avelumab. We kunnen echter geen non-inferioriteit van drie versus zes cycli claimen, vanwege de beperkingen in de studieopzet.” Ook de mediane PFS en responspercentages waren vergelijkbaar tussen beide groepen.
Daarnaast rapporteerde Grande numeriek meer behandelingsgerelateerde bijwerkingen met zes cycli chemotherapie. “Het aantal ernstige bijwerkingen was vergelijkbaar, wat laat zien dat deze voornamelijk in de eerste drie cycli optreden”, aldus Grande. Hij concludeerde dat de DISCUS-studie het belang benadrukt van het evalueren van kortere periodes van systemische therapie bij gevorderd UC. De resultaten van deze studie zijn tijdens het ESMO-congres tevens gepubliceerd in Annals of Oncology.2
Referenties
1. Grande Pulido E, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2); abstr LBA109.
2. Powles T, et al. Ann Oncol 2025; doi: 10.1016/j.annonc.2025.10.011.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2025 vol 10 nummer 3
Commentaar dr. Michiel van der Heijden, internist-oncoloog, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam
Het ESMO-congres heeft dit jaar goed laten zien hoeveel vooruitgang er is geboekt bij blaaskanker, onder meer met combinaties als enfortumab vedotin (EV) plus pembrolizumab. Deze behandeling is in Nederland nog niet beschikbaar in de gemetastaseerde setting, waardoor we voorlopig aangewezen blijven op platinabevattende chemotherapie met gemcitabine, gevolgd door onderhoud met avelumab bij nog fitte patiënten zonder progressie. In dat kader werd een interessante studie gepresenteerd waarin een praktische vraag werd onderzocht: kunnen we bij gevorderd urotheelcarcinoom (UC) volstaan met drie in plaats van zes kuren platinabevattende chemotherapie voorafgaand aan avelumab?1 De primaire uitkomstmaat was de kwaliteit van leven, die beter bleek bij drie kuren dan bij zes. De algehele overleving, ook een primaire uitkomstmaat, was echter identiek in beide groepen. Bovendien konden meer patiënten na drie kuren doorgaan met de onderhoudsbehandeling met avelumab. Hoewel deze bevindingen praktijkveranderend kunnen zijn, moesten patiënten in de avelumab-registratiestudie minimaal vier kuren chemotherapie hebben gehad. Maar er lijkt dus geen reden te zijn om na die vier kuren nog door te gaan met chemotherapie. Het is in elk geval de moeite waard dit met patiënten te bespreken.
Tijdens het ESMO-congres zijn ook de resultaten van de KEYNOTE-905-studie gepresenteerd. Hierin is een perioperatieve behandeling met EV plus pembrolizumab onderzocht bij patiënten met spierinvasieve blaaskanker die niet in aanmerking kwamen voor platinabevattende chemotherapie.2 De studie startte als vergelijking tussen monotherapie met pembrolizumab en directe cystectomie, maar vanwege de veelbelovende resultaten met EV plus pembrolizumab werd deze combinatie aan de studie toegevoegd en de monotherapie-arm gestopt. Het is jammer dat daardoor geen resultaten van pembrolizumab-monotherapie beschikbaar zijn, want nu wordt een heel krachtige combinatie vergeleken met alleen cystectomie. Toch waren de uitkomsten indrukwekkend: de pathologisch complete respons was 55% met EV plus pembrolizumab tegenover 8,6% met alleen cystectomie. Ook de eventvrije overleving (EFS) was duidelijk beter, met een HR van 0,4. De EFS in de controlearm was lager dan ik op voorhand zou hebben verwacht. Momenteel lopen er nog studies waarin EV plus pembrolizumab wordt vergeleken met cisplatinebevattende chemotherapie. De resultaten daarvan zullen helpen om een volledig beeld te krijgen en de plaats van deze combinatie in de Nederlandse praktijk beter te bepalen.
Daarnaast was er aandacht voor een antilichaam-geneesmiddelconjugaat gericht op HER2-overexpressie, een relevant aangrijpingspunt bij blaaskanker. In een Chinese studie werd een eerstelijnsbehandeling met disitamab vedotin (DV) plus toripalimab vergeleken met chemotherapie bij gevorderd UC.3 De opzet en resultaten leken sterk op die van de EV-302-studie: DV plus toripalimab verbeterde de algehele overleving, met een indrukwekkende HR van 0,54. DV en toripalimab zijn in Europa echter niet beschikbaar en daarbij zien we de resultaten van dit soort studies ook graag bevestigd in een meer Westerse populatie. Een dergelijke studie loopt al, met pembrolizumab in plaats van toripalimab.
Tot slot is in de IMvigor011-studie gekeken naar adjuvante therapie met atezolizumab bij hoog-risico, spierinvasieve blaaskanker, met gebruik van circulerend tumor (ct)-DNA-bepalingen.4 Een eerdere adjuvante studie met atezolizumab, de IMvigor010, was negatief, al bleek toen in een exploratieve analyse dat ctDNA-positieve patiënten wel baat hadden bij atezolizumab.5 Die bevinding is nu prospectief onderzocht in de IMvigor011. ctDNA-positieve patiënten werden gerandomiseerd naar atezolizumab of placebo. De behandeling met atezolizumab verbeterde zowel de ziektevrije overleving als de OS. ctDNA-tests lijken daarmee veelbelovend in de adjuvante setting: ze kunnen helpen onnodige behandelingen te vermijden, wat zowel de patiënt als de zorgkosten ten goede komt. In de Verenigde Staten worden ctDNA-tests al breed toegepast, in Europa nog nauwelijks.
Referenties
1. Grande Pulido E, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA109.
2. Vulsteke C, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA2.
3. Guo J, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA7.
4. Powles T, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA8.
5. Bellmunt J, et al. Lancet Oncol 2021;22:525-37.
In een podcast bespreken prof. dr. ir. Koos van der Hoeven en dr. Michiel van der Heijden naast bovenstaande studies ook de ALBAN- en POTOMAC-studie naar de toevoeging van immunotherapie aan BCG bij hoog-risico, niet-spierinvasieve blaaskanker. Ook gaan zij kort in op de ontwikkelingen bij peniskanker. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts