In de fase 2-ZUMA-25-studie resulteerde CAR-T-celtherapie met brexucabtagene autoleucel (brexu-cel) in 100% respons en een mediane algehele overleving van 12,9 maanden bij patiënten met gerecidiveerd of refractair burkittlymfoom. “Brexu-cel kan een haalbare behandeloptie zijn voor deze zeldzame en moeilijk te behandelen populatie”, aldus dr. Suzanne van Dorp (Radboudumc, Nijmegen), die deze resultaten presenteerde tijdens de 67e ASH Annual Meeting.
Patiënten met gerecidiveerd of refractair (R/R) burkittlymfoom, een zeldzame en agressieve vorm van non-hodgkinlymfoom, hebben beperkte behandelopties en een mediane overleving van minder dan drie maanden. Brexu-cel is een anti-CD19-CAR-T-celproduct dat is goedgekeurd voor gebruik bij volwassenen met R/R mantelcellymfoom of R/R B-cel acute lymfatische leukemie. De ZUMA-25-studie is een multicenter basketstudie waarin brexu-cel wordt onderzocht bij volwassenen met zeldzame B-celmaligniteiten, en is de eerste prospectieve studie met een commerciële CAR-T-celtherapie bij patiënten met R/R burkittlymfoom.
ZUMA-25-studie
In substudie C van de ZUMA-25-studie werden twaalf patiënten geïncludeerd met R/R burkittlymfoom, tien van hen zijn daadwerkelijk behandeld. Na leukaferese en optionele overbruggingstherapie volgde lymfodepleterende chemotherapie en een enkele infusie met brexu-cel (2x106 CAR-T-cellen/kg). De mediane tijd tussen leukaferese en CAR-T-celinfusie was 25,5 dagen in de Verenigde Staten (n=4) en 37,0 dagen in Europa (n=6). De primaire uitkomstmaat was het objectieve responspercentage (ORR). De mediane follow-up was 5,6 maanden.
50% complete remissie
Alle patiënten die waren behandeld met brexu-cel vertoonden een respons, van wie 50% complete remissie (CR) bereikte, liet Suzanne van Dorp zien.1 De mediane tijd van infusie tot beste respons was 29 dagen. Eén patiënt converteerde pas na negen maanden van stabiele ziekte naar een CR. Geen van de patiënten die een partiële respons hadden converteerden naar een CR. “De mediane responsduur was 5,0 maanden, maar denk hierbij aan de korte follow-uptijd”, merkte Van Dorp op. Van de vijf patiënten die een CR bereikten, waren ten tijde van de data-cutoff nog vier in leven en in CR, zonder volgende behandeling. Alle patiënten met een partiële respons als beste respons vertoonden later ziekteprogressie, drie van hen zijn inmiddels overleden.
De mediane progressievrije overleving was 5,8 maanden en de mediane algehele overleving 12,9 maanden. Alle patiënten met een CR waren na zes maanden nog in leven.
Haalbare behandeloptie
Bijwerkingen gerelateerd aan de behandeling (TEAE’s) van graad 3 of hoger kwamen voor bij 90% van de patiënten. De meest voorkomende TEAE’s waren koorts, gastro-intestinale klachten, cytopenie en transaminitis. Een patiënt overleed aan cytomegaloviruspneumonie na transplantatie. “We denken dat dit niet gerelateerd is aan brexu-cel.” Neurologische bijwerkingen van graad 3 kwamen voor bij 60% van de patiënten, maar cytokinereleasesyndroom, ICANS of neurologische bijwerkingen van graad 4 of 5 zijn niet gerapporteerd. Drie maanden na de infusie rapporteerden de patiënten een stabiele of verbeterde kwaliteit van leven.
“Deze preliminaire resultaten suggereren dat brexu-cel een haalbare behandeloptie kan zijn voor deze zeldzame en moeilijk te behandelen patiëntenpopulatie”, aldus Van Dorp.
Referentie
1. Van Dorp S, et al. Blood 2025;146(Suppl 1): abstr 569.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist
Klik hier voor een video-interview waarin dr. Suzanne van Dorp toelichting geeft op deze studie.
Congres Up-to-date 2026 vol 11 nummer 1
Commentaar prof. dr. Marie José Kersten, internist-hematoloog, Amsterdam UMC
De ATALANTA-1-studie, die al enige tijd open is in Nederland en België, is een fase 1/2-studie met CD19-CAR-T-celtherapie.1 Bijzonder is de gedecentraliseerde productie met een korte vein-to-vein-tijd van zeven dagen. Daardoor vallen minder patiënten uit tussen aferese en infusie. In een cohort van 26 patiënten met gerecidiveerd of refractair (R/R) mantelcellymfoom viel maar één patiënt uit vanwege snelle progressie. Na infusie vertoonde 100% van de patiënten een respons, van wie 96% een complete respons. Tot nu toe hebben vier patiënten een recidief gekregen, maar de follow-up is nog kort. Belangrijk is dat de toxiciteit beperkt is: geen graad 3-cytokinereleasesyndroom (CRS) en slechts één geval van graad 3 neurologische toxiciteit (ICANS). Dat zou te maken kunnen hebben met het fenotype van het CAR-T-celproduct, dat vooral vroege memory-T-cellen bevat. Er is geen directe vergelijking gemaakt met andere CAR-T-celproducten, maar dit lijkt een veiliger product.
In de Smart Stop-studie bij diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL) werd gestart met doelgerichte therapie, gevolgd door R-CHOP.2 Ongeveer 90% van de patiënten vertoonde een respons, van wie ongeveer 60% een complete respons. Aan het einde van de behandeling had 97% een complete respons. Preliminair werd gekeken of bij een respons op de doelgerichte therapie R-CHOP helemaal weggelaten zou kunnen worden, maar de follow-up is nog kort en deze studie was niet gerandomiseerd. Bij geselecteerde patiënten, bijvoorbeeld op geleide van circulerend tumor-DNA (ctDNA) of PET, zou het interessant kunnen zijn om eerst dit Smart-schema te geven.
In de Nederlandse HOVON-902-studie werd meetbare restziekte (MRD) bepaald met behulp van ctDNA in de eerste lijn bij patiënten met DLBCL.3,4 Aan het eind van de behandeling bleek ctDNA-MRD heel predictief te zijn, beter dan PET. Ook na cyclus 1, cyclus 4 en tijdens de follow-up was ctDNA-MRD voorspellend, en die voorspelling werd steeds sterker naarmate de tijd vorderde. Patiënten die aan het einde van de behandeling MRD-positief zijn hebben een driejaars progressievrije overleving (PFS) van slechts 11%, dus in die groep is verbetering nodig. Dat zou kunnen door eerder in de behandeling, bij onvoldoende afname van MRD, over te gaan op een andere modaliteit, zoals CAR-T-celtherapie. In de nu lopende ALPHA3-studie (NCT06500273) wordt bij patiënten die na standaard inductietherapie nog MRD-positief zijn, gerandomiseerd tussen allogene CAR-T-celtherapie of geen verdere behandeling.
In de DALY 2-EU-studie werd een dubbele CAR gebruikt, gericht tegen CD20 en CD19, met een vein-to-vein-tijd van ongeveer veertien dagen.5 Dit was een gerandomiseerde fase 2-studie bij patiënten met R/R grootcellig B-cellymfoom die niet in aanmerking kwamen voor transplantatie. R-GemOx werd gegeven in de vergelijkende arm. De effectiviteit van dit product was significant beter dan van R-GemOx, maar het is op basis van deze studie niet te zeggen of het om een beter product gaat dan bestaande CAR-T-producten zoals axi-cel en liso-cel. Wel is dit product weinig toxisch; er waren bijna geen ernstige gevallen van ICANS. Hopelijk kan dit een optie vormen in de tweede lijn voor oudere patiënten, voor wie nu geen CAR-T-celtherapie beschikbaar is in de tweede lijn.
ZUMA-25 was een basketstudie met CAR-T-celtherapie (brexu-cel) voor vier zeldzame lymfoomtypen, waaronder burkittlymfoom.6 Vanwege langzame inclusie werd de studie voortijdig gestopt. Tijdens de ASH Annual Meeting werden de resultaten van twaalf geïncludeerde patiënten met R/R burtkittlymfoom gepresenteerd. Al is de mediane follow-up kort, vier patiënten hebben een doorgaande respons, dus het lijkt de moeite waard om dit verder te onderzoeken. Helaas niet in deze studie, maar de ATALANTA-1-studie heeft ook een cohort met burkittlymfoom.
In de Europese ECWM-1-studie bij patiënten met de ziekte van Waldenström gaf toevoeging van bortezomib aan dexamethason, rituximab en cyclofosfamide (DRC) in de eerste lijn geen significante verbetering van de uitkomsten.7 Met een mediane PFS van meer dan vier jaar en tijd tot volgende behandeling van meer dan vijf jaar in de standaardarm, is DRC nog steeds een goede eerstelijnsbehandeling.
Bij patiënten met R/R folliculair lymfoom zorgde het bispecifieke antilichaam epcoritamab toegevoegd aan rituximab en lenalidomide in een gerandomiseerde fase 3-studie voor een significante verbetering van de PFS en tijd tot volgende behandeling vergeleken met rituximab en lenalidomide alleen, met een hazard ratio van 0,21 voor de PFS, de primaire uitkomstmaat.8,9 Dit is een indrukwekkend resultaat, al is de follow-up nog kort. Het percentage infecties en neutropenie was significant hoger in de experimentele arm, maar het percentage CRS viel mee.
Referenties
1. Kersten MJ, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 662.
2. Westin J, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 477.
3. Wang S, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 474.
4. Wang S, et al. J Clin Oncol 2025 Dec 12:JCO2501712.
5. Borchmann P, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 669.
6. Van Dorp S, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 569.
7. Morel P, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 223.
8. Falchi L, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 466.
9. Falchi L, et al. Lancet 2026;407:161-73.
In een podcast met dr. Jurjen Versluis bespreekt prof. dr. Marie José Kersten naast bovenstaande studies ook een studie met CAR-T-celtherapie bij centraalzenuwstelsellymfoom, behandelvoorkeuren van patiënten met Waldenström en studies met obinutuzumab en CAR-T-celtherapie bij folliculair lymfoom. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts