Toevoeging van het bispecifieke antilichaam epcoritamab aan lenalidomide en rituximab zorgde voor een superieure progressievrije overleving en hogere responspercentages bij patiënten met gerecidiveerd of refractair folliculair lymfoom in de derde lijn of later. Dat blijkt uit de resultaten van de fase 3-EPCORE FL-1-studie, die dr. Lorenzo Falchi (New York, Verenigde Staten) presenteerde tijdens de 67e ASH Annual Meeting. “Dit regime zet een nieuwe standaard in de behandeling van folliculair lymfoom in de derde en latere lijn.”
De combinatie van lenalidomide plus rituximab (R2) is een chemotherapievrije standaardoptie voor patiënten met gerecidiveerd of refractair folliculair lymfoom (R/R FL), maar de uitkomsten zijn voor veel patiënten suboptimaal. Het bispecifieke antilichaam epcoritamab, gericht tegen CD3 en CD20, is goedgekeurd als monotherapie voor R/R FL in de derde lijn of later. Combinatie van epcoritamab met R2 resulteerde in een fase 1b/2-studie in veelbelovende uitkomsten.1 In de wereldwijde fase 3-EPCORE FL-1-studie werd epcoritamab met vaste behandelduur gecombineerd met R2 en vergeleken met alleen R2.2
EPCORE FL-1
In de EPCORE FL-1-studie werden patiënten geïncludeerd met R/R FL na ten minste één eerdere behandellijn, waaronder een anti-CD20-antilichaam plus een alkylerend middel. De patiënten werden 1:1 gerandomiseerd tussen alleen R2 (n=245) of epcoritamab plus R2 (n=243). Epcoritamab (48 mg) werd tijdens de eerste drie cycli wekelijks gegeven, gevolgd door elke vier weken in cycli 4-12. Rituximab werd gegeven in cyclus 1-5, en lenalidomide in cyclus 1-12. De duale primaire uitkomstmaten waren het objectieve responspercentage (ORR) en de progressievrije overleving (PFS) volgens onafhankelijke beoordeling. De mediane follow-up was 14,8 maanden.
Superieure PFS
“Epcoritamab + R2 resulteerde in een superieure PFS ten opzichte van R2 en 79% reductie van het risico op progressie of overlijden”, liet Lorenzo Falchi zien. De mediane PFS werd niet bereikt met epcoritamab + R2 en was 11,7 maanden met R2 (HR 0,21; p<0,0001). De PFS na zestien maanden was 85,5% met epcoritamab + R2 en 40,2% met R2. Het PFS-voordeel werd gezien in alle geanalyseerde subgroepen.
Ook de andere primaire uitkomstmaat werd bereikt: behandeling met epcoritamab + R2 resulteerde in een hogere ORR (95%, versus 79% met R2; p<0,0001) en ook in een hoger percentage complete responsen (83% versus 50%; p<0,0001).
De mediane responsduur werd niet bereikt met epcoritamab + R2 en was 11,5 maanden in de R2-groep (HR 0,19; p<0,0001). Na zestien maanden had 92,8% van de patiënten in de epcoritamab + R2 -groep nog geen volgende antilymfoombehandeling gekregen, ten opzichte van 64,9% in de R2-groep. “Er was een positieve trend tot een algeheel overlevings (OS)-voordeel met epcoritamab + R2 ten opzichte van de R2-groep, met tien events in de epcoritamab + R2-groep en 25 in de R2-groep”, zei Falchi. De mediane OS werd in beide groepen niet bereikt.
Nieuwe standaard
“Toevoeging van epcoritamab aan R2 leidde tot meer bijwerkingen, maar deze waren allemaal goed te managen in de poliklinische setting en zorgden niet significant vaker voor stopzetten van de behandeling”, aldus Falchi. Vooral neutropenie en infecties kwamen vaker voor. Fatale bijwerkingen waren zeldzaam (2% met epcoritamab + R2 en 4% met R2). Ondanks meer bijwerkingen maakten de meeste patiënten de behandeling met epcoritamab + R2 af.
“Epcoritamab + R2 is een nieuwe chemotherapievrije behandeling met vaste duur die geschikt is voor toediening in de poliklinische setting, en vormt een nieuwe standaard voor de behandeling van patiënten met R/R FL in de derde en latere lijn”, concludeerde Falchi. Deze studie resulteerde in volledige goedkeuring door de FDA en de resultaten werden gelijktijdig gepubliceerd in The Lancet.3
Referenties
1. Falchi L, et al. Blood 2024;144(Suppl 1):342.
2. Falchi L, et al. Blood 2025;146(Suppl 1): abstr 466.
3. Falchi L, et al. Lancet 2026;407:161-73.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2026 vol 11 nummer 1
Commentaar prof. dr. Marie José Kersten, internist-hematoloog, Amsterdam UMC
De ATALANTA-1-studie, die al enige tijd open is in Nederland en België, is een fase 1/2-studie met CD19-CAR-T-celtherapie.1 Bijzonder is de gedecentraliseerde productie met een korte vein-to-vein-tijd van zeven dagen. Daardoor vallen minder patiënten uit tussen aferese en infusie. In een cohort van 26 patiënten met gerecidiveerd of refractair (R/R) mantelcellymfoom viel maar één patiënt uit vanwege snelle progressie. Na infusie vertoonde 100% van de patiënten een respons, van wie 96% een complete respons. Tot nu toe hebben vier patiënten een recidief gekregen, maar de follow-up is nog kort. Belangrijk is dat de toxiciteit beperkt is: geen graad 3-cytokinereleasesyndroom (CRS) en slechts één geval van graad 3 neurologische toxiciteit (ICANS). Dat zou te maken kunnen hebben met het fenotype van het CAR-T-celproduct, dat vooral vroege memory-T-cellen bevat. Er is geen directe vergelijking gemaakt met andere CAR-T-celproducten, maar dit lijkt een veiliger product.
In de Smart Stop-studie bij diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL) werd gestart met doelgerichte therapie, gevolgd door R-CHOP.2 Ongeveer 90% van de patiënten vertoonde een respons, van wie ongeveer 60% een complete respons. Aan het einde van de behandeling had 97% een complete respons. Preliminair werd gekeken of bij een respons op de doelgerichte therapie R-CHOP helemaal weggelaten zou kunnen worden, maar de follow-up is nog kort en deze studie was niet gerandomiseerd. Bij geselecteerde patiënten, bijvoorbeeld op geleide van circulerend tumor-DNA (ctDNA) of PET, zou het interessant kunnen zijn om eerst dit Smart-schema te geven.
In de Nederlandse HOVON-902-studie werd meetbare restziekte (MRD) bepaald met behulp van ctDNA in de eerste lijn bij patiënten met DLBCL.3,4 Aan het eind van de behandeling bleek ctDNA-MRD heel predictief te zijn, beter dan PET. Ook na cyclus 1, cyclus 4 en tijdens de follow-up was ctDNA-MRD voorspellend, en die voorspelling werd steeds sterker naarmate de tijd vorderde. Patiënten die aan het einde van de behandeling MRD-positief zijn hebben een driejaars progressievrije overleving (PFS) van slechts 11%, dus in die groep is verbetering nodig. Dat zou kunnen door eerder in de behandeling, bij onvoldoende afname van MRD, over te gaan op een andere modaliteit, zoals CAR-T-celtherapie. In de nu lopende ALPHA3-studie (NCT06500273) wordt bij patiënten die na standaard inductietherapie nog MRD-positief zijn, gerandomiseerd tussen allogene CAR-T-celtherapie of geen verdere behandeling.
In de DALY 2-EU-studie werd een dubbele CAR gebruikt, gericht tegen CD20 en CD19, met een vein-to-vein-tijd van ongeveer veertien dagen.5 Dit was een gerandomiseerde fase 2-studie bij patiënten met R/R grootcellig B-cellymfoom die niet in aanmerking kwamen voor transplantatie. R-GemOx werd gegeven in de vergelijkende arm. De effectiviteit van dit product was significant beter dan van R-GemOx, maar het is op basis van deze studie niet te zeggen of het om een beter product gaat dan bestaande CAR-T-producten zoals axi-cel en liso-cel. Wel is dit product weinig toxisch; er waren bijna geen ernstige gevallen van ICANS. Hopelijk kan dit een optie vormen in de tweede lijn voor oudere patiënten, voor wie nu geen CAR-T-celtherapie beschikbaar is in de tweede lijn.
ZUMA-25 was een basketstudie met CAR-T-celtherapie (brexu-cel) voor vier zeldzame lymfoomtypen, waaronder burkittlymfoom.6 Vanwege langzame inclusie werd de studie voortijdig gestopt. Tijdens de ASH Annual Meeting werden de resultaten van twaalf geïncludeerde patiënten met R/R burtkittlymfoom gepresenteerd. Al is de mediane follow-up kort, vier patiënten hebben een doorgaande respons, dus het lijkt de moeite waard om dit verder te onderzoeken. Helaas niet in deze studie, maar de ATALANTA-1-studie heeft ook een cohort met burkittlymfoom.
In de Europese ECWM-1-studie bij patiënten met de ziekte van Waldenström gaf toevoeging van bortezomib aan dexamethason, rituximab en cyclofosfamide (DRC) in de eerste lijn geen significante verbetering van de uitkomsten.7 Met een mediane PFS van meer dan vier jaar en tijd tot volgende behandeling van meer dan vijf jaar in de standaardarm, is DRC nog steeds een goede eerstelijnsbehandeling.
Bij patiënten met R/R folliculair lymfoom zorgde het bispecifieke antilichaam epcoritamab toegevoegd aan rituximab en lenalidomide in een gerandomiseerde fase 3-studie voor een significante verbetering van de PFS en tijd tot volgende behandeling vergeleken met rituximab en lenalidomide alleen, met een hazard ratio van 0,21 voor de PFS, de primaire uitkomstmaat.8,9 Dit is een indrukwekkend resultaat, al is de follow-up nog kort. Het percentage infecties en neutropenie was significant hoger in de experimentele arm, maar het percentage CRS viel mee.
Referenties
1. Kersten MJ, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 662.
2. Westin J, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 477.
3. Wang S, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 474.
4. Wang S, et al. J Clin Oncol 2025 Dec 12:JCO2501712.
5. Borchmann P, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 669.
6. Van Dorp S, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 569.
7. Morel P, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 223.
8. Falchi L, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 466.
9. Falchi L, et al. Lancet 2026;407:161-73.
In een podcast met dr. Jurjen Versluis bespreekt prof. dr. Marie José Kersten naast bovenstaande studies ook een studie met CAR-T-celtherapie bij centraalzenuwstelsellymfoom, behandelvoorkeuren van patiënten met Waldenström en studies met obinutuzumab en CAR-T-celtherapie bij folliculair lymfoom. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts