In de ATALANTA-1-studie gaf het CD19-CAR-T-celproduct GLPG5101 diepe en aanhoudende responsen bij patiënten met gerecidiveerd of refractair mantelcellymfoom. Prof. dr. Marie José Kersten (Amsterdam UMC) presenteerde deze resultaten tijdens de 67e ASH Annual Meeting. “We zagen een objectief responspercentage van 100%, met een complete respons bij 96%, en het veiligheidsprofiel van GLPG5101 was gunstig.”
Patiënten met hoog-risico recidief of refractair mantelcellymfoom (R/R MCL) die al behandeld zijn met een BTK-remmer, hebben een slechte prognose. CAR-T-celtherapie kan voor hen een veelbelovende optie zijn, zei Marie José Kersten. “Maar de huidige goedgekeurde CAR-T-celtherapieën zijn toxisch en kennen een vrij hoog uitvalpercentage.”
GLPG5101 is een verse, autologe CD19-CAR-T-celtherapie met een vein-to-vein-tijd van zeven dagen. In de fase 1/2-studie ATALANTA-1 is GLPG5101 onderzocht bij verschillende hematologische maligniteiten, waaronder MCL.1 Na screening ondergingen patiënten leukaferese (dag -7), waarna het CAR-T-celproduct geproduceerd werd. In die periode ontvingen patiënten lymfodepleterende chemotherapie. Op dag 0 werd een enkele infusie met GLPG5101 toegediend en op dag 28 volgde de eerste responsbepaling. Primaire doelen van de ATALANTA-1 waren het bepalen van de veiligheid, de aanbevolen fase 2-dosering en het objectieve responspercentage (ORR).
Overbruggingstherapie overbodig
“Voor het MCL-cohort werden 32 patiënten gescreend en uiteindelijk omvatte de intention-to-treat (ITT)-populatie 26 patiënten”, zei Kersten. Van hen ontvingen er 25 lymfodepleterende chemotherapie en een daaropvolgende infusie met CAR-T-cellen. Kersten: “De aanbevolen fase 2-dosering werd gesteld op 110 miljoen CAR-T-cellen.” Bij 23 patiënten was het mogelijk het CAR-T-celproduct op dag 7 toe te dienen. “Dit maakte toediening van cytotoxische overbruggingstherapie voor hen overbodig.”
MRD-negativiteit bij 90%
De mediane follow-up ten tijde van deze analyse was 9,1 maanden. In de ITT-populatie was de ORR 96%, met een complete respons (CR) bij 92%, liet Kersten zien. “Van de 24 patiënten die een infusie met het verse CAR-T-celproduct kregen, respondeerde iedereen, waarbij slechts één patiënt een partiële respons had.” Bij tien patiënten kon worden geëvalueerd of zij nog meetbare restziekte (MRD) hadden. Negen van hen waren MRD-negatief ten tijde van hun CR en zeven van deze negen patiënten bleven MRD-negatief tot aan data-cutoff. Kersten liet verder zien dat bijna alle patiënten na één maand al een CR hadden behaald. Drie patiënten hadden een recidief na een eerdere CR. Op maand 9 had 83% van de patiënten een aanhoudende respons en was ook 83% van de patiënten nog in leven en vrij van progressie.
Poliklinische toediening
Bij bijna alle patiënten (96%) was er sprake van een treatment-emergent adverse event (TEAE) gerelateerd aan GLPG5101. Ernstige TEAE’s kwamen bij 42% van de patiënten voor. “Als verwacht zagen we hematologische toxiciteit, veelal neutropenie (graad 3 of hoger bij 63%)”, zei Kersten. Het cytokinereleasesyndroom (CRS) werd gerapporteerd bij 60% van de patiënten, alleen graad 1 of 2. Bij 25% was er sprake van ICANS, waarvan 21% graad 1 en 4% (1 patiënt) graad 3.
Ten opzichte van het uitgangsmateriaal nam het aandeel CD8+ CAR-T-cellen met een vroeg geheugenfenotype aanzienlijk toe in het eindproduct, aldus Kersten. Verder zag zij robuuste expansie van CAR-T-cellen en bij bijna alle patiënten was er sprake van persistentie van de CAR-T-cellen.
Kersten concludeerde dat GLPG5101 een tijdige behandeling mogelijk maakt met een aanhoudende werkzaamheid en weinig hooggradige toxiciteit. Volgens haar zou het veiligheidsprofiel van GLPG5101 toediening in een poliklinische setting toelaten. “Alles bij elkaar ondersteunen deze resultaten verder onderzoek met GLPG5101.”
Referentie
1. Kersten MJ, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 662.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Klik hier voor een video waarin prof. dr. Marie José Kersten de resultaten van de ATALANTA-1-studie toelicht.
Congres Up-to-date 2026 vol 11 nummer 1
Commentaar prof. dr. Marie José Kersten, internist-hematoloog, Amsterdam UMC
De ATALANTA-1-studie, die al enige tijd open is in Nederland en België, is een fase 1/2-studie met CD19-CAR-T-celtherapie.1 Bijzonder is de gedecentraliseerde productie met een korte vein-to-vein-tijd van zeven dagen. Daardoor vallen minder patiënten uit tussen aferese en infusie. In een cohort van 26 patiënten met gerecidiveerd of refractair (R/R) mantelcellymfoom viel maar één patiënt uit vanwege snelle progressie. Na infusie vertoonde 100% van de patiënten een respons, van wie 96% een complete respons. Tot nu toe hebben vier patiënten een recidief gekregen, maar de follow-up is nog kort. Belangrijk is dat de toxiciteit beperkt is: geen graad 3-cytokinereleasesyndroom (CRS) en slechts één geval van graad 3 neurologische toxiciteit (ICANS). Dat zou te maken kunnen hebben met het fenotype van het CAR-T-celproduct, dat vooral vroege memory-T-cellen bevat. Er is geen directe vergelijking gemaakt met andere CAR-T-celproducten, maar dit lijkt een veiliger product.
In de Smart Stop-studie bij diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL) werd gestart met doelgerichte therapie, gevolgd door R-CHOP.2 Ongeveer 90% van de patiënten vertoonde een respons, van wie ongeveer 60% een complete respons. Aan het einde van de behandeling had 97% een complete respons. Preliminair werd gekeken of bij een respons op de doelgerichte therapie R-CHOP helemaal weggelaten zou kunnen worden, maar de follow-up is nog kort en deze studie was niet gerandomiseerd. Bij geselecteerde patiënten, bijvoorbeeld op geleide van circulerend tumor-DNA (ctDNA) of PET, zou het interessant kunnen zijn om eerst dit Smart-schema te geven.
In de Nederlandse HOVON-902-studie werd meetbare restziekte (MRD) bepaald met behulp van ctDNA in de eerste lijn bij patiënten met DLBCL.3,4 Aan het eind van de behandeling bleek ctDNA-MRD heel predictief te zijn, beter dan PET. Ook na cyclus 1, cyclus 4 en tijdens de follow-up was ctDNA-MRD voorspellend, en die voorspelling werd steeds sterker naarmate de tijd vorderde. Patiënten die aan het einde van de behandeling MRD-positief zijn hebben een driejaars progressievrije overleving (PFS) van slechts 11%, dus in die groep is verbetering nodig. Dat zou kunnen door eerder in de behandeling, bij onvoldoende afname van MRD, over te gaan op een andere modaliteit, zoals CAR-T-celtherapie. In de nu lopende ALPHA3-studie (NCT06500273) wordt bij patiënten die na standaard inductietherapie nog MRD-positief zijn, gerandomiseerd tussen allogene CAR-T-celtherapie of geen verdere behandeling.
In de DALY 2-EU-studie werd een dubbele CAR gebruikt, gericht tegen CD20 en CD19, met een vein-to-vein-tijd van ongeveer veertien dagen.5 Dit was een gerandomiseerde fase 2-studie bij patiënten met R/R grootcellig B-cellymfoom die niet in aanmerking kwamen voor transplantatie. R-GemOx werd gegeven in de vergelijkende arm. De effectiviteit van dit product was significant beter dan van R-GemOx, maar het is op basis van deze studie niet te zeggen of het om een beter product gaat dan bestaande CAR-T-producten zoals axi-cel en liso-cel. Wel is dit product weinig toxisch; er waren bijna geen ernstige gevallen van ICANS. Hopelijk kan dit een optie vormen in de tweede lijn voor oudere patiënten, voor wie nu geen CAR-T-celtherapie beschikbaar is in de tweede lijn.
ZUMA-25 was een basketstudie met CAR-T-celtherapie (brexu-cel) voor vier zeldzame lymfoomtypen, waaronder burkittlymfoom.6 Vanwege langzame inclusie werd de studie voortijdig gestopt. Tijdens de ASH Annual Meeting werden de resultaten van twaalf geïncludeerde patiënten met R/R burtkittlymfoom gepresenteerd. Al is de mediane follow-up kort, vier patiënten hebben een doorgaande respons, dus het lijkt de moeite waard om dit verder te onderzoeken. Helaas niet in deze studie, maar de ATALANTA-1-studie heeft ook een cohort met burkittlymfoom.
In de Europese ECWM-1-studie bij patiënten met de ziekte van Waldenström gaf toevoeging van bortezomib aan dexamethason, rituximab en cyclofosfamide (DRC) in de eerste lijn geen significante verbetering van de uitkomsten.7 Met een mediane PFS van meer dan vier jaar en tijd tot volgende behandeling van meer dan vijf jaar in de standaardarm, is DRC nog steeds een goede eerstelijnsbehandeling.
Bij patiënten met R/R folliculair lymfoom zorgde het bispecifieke antilichaam epcoritamab toegevoegd aan rituximab en lenalidomide in een gerandomiseerde fase 3-studie voor een significante verbetering van de PFS en tijd tot volgende behandeling vergeleken met rituximab en lenalidomide alleen, met een hazard ratio van 0,21 voor de PFS, de primaire uitkomstmaat.8,9 Dit is een indrukwekkend resultaat, al is de follow-up nog kort. Het percentage infecties en neutropenie was significant hoger in de experimentele arm, maar het percentage CRS viel mee.
Referenties
1. Kersten MJ, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 662.
2. Westin J, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 477.
3. Wang S, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 474.
4. Wang S, et al. J Clin Oncol 2025 Dec 12:JCO2501712.
5. Borchmann P, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 669.
6. Van Dorp S, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 569.
7. Morel P, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 223.
8. Falchi L, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 466.
9. Falchi L, et al. Lancet 2026;407:161-73.
In een podcast met dr. Jurjen Versluis bespreekt prof. dr. Marie José Kersten naast bovenstaande studies ook een studie met CAR-T-celtherapie bij centraalzenuwstelsellymfoom, behandelvoorkeuren van patiënten met Waldenström en studies met obinutuzumab en CAR-T-celtherapie bij folliculair lymfoom. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts