Uit de definitieve resultaten van de ECWM-1-studie blijkt dat de toevoeging van bortezomib aan dexamethason, rituximab en cyclofosfamide niet geassocieerd is met een significant betere progressievrije of algehele overleving bij patiënten met nieuw-gediagnosticeerde ziekte van Waldenström. Wel verbeterde bortezomib het percentage patiënten met een major respons. Tijdens de 67e ASH Annual Meeting werden deze resultaten gepresenteerd door prof. dr. Meletios Dimopoulos (Athene, Griekenland).
Volgens het eerste consensuspanel van de elfde International Workshop on Waldenström’s Macroglobulinemia is chemo-immunotherapie, met bijvoorbeeld dexamethason, rituximab en cyclofosfamide (DRC) of bendamustine plus rituximab, de aanbevolen eerstelijnsbehandeling bij symptomatische patiënten met de ziekte van Waldenström.1
In de academische, gerandomiseerde ECWM-1-studie worden de werkzaamheid en veiligheid onderzocht van bortezomib in combinatie met DRC (B-DRC) versus DRC bij patiënten met nieuw-gediagnosticeerde ziekte van Waldenström. Uit eerder gepubliceerde resultaten bleek dat na een mediane follow-up van 27,5 maanden B-DRC vergeleken met DRC geassocieerd was met een snellere en diepere remissie, maar een vergelijkbare progressievrije overleving (PFS), de primaire uitkomstmaat van de studie.2
Betere major respons
Uit de definitieve analyse van de ECWM-1-studie blijkt nu dat na een mediane follow-up van 68,8 maanden de toevoeging van bortezomib aan DRC geassocieerd was met een hoger percentage major respons.3 Aan het einde van de chemo-immunotherapie was het percentage patiënten met een major respons 77,4% met B-DRC versus 66,7% met DRC. “De mediane PFS was echter vergelijkbaar in beide armen: mediaan 55,9 maanden in de B-DRC-arm versus 50,1 maanden in de DRC-arm (p=0,62). In beide armen hadden CXCR4-mutaties geen significant effect op de PFS. De mediane tijd tot de volgende behandeling was 68,8 maanden met B-DRC vergeleken met 67,5 maanden met DRC (p=0,98). Hieruit blijkt dat patiënten met beide regimes een duurzaam behandelvrij interval kunnen hebben”, aldus Meletios Dimopoulos. De algehele overleving na vijf jaar was 89% met B-DRC en 91% met DRC (p=0,23).
Vergelijkbare toxiciteit
“Tussen beide studiearmen was er geen verschil in de incidentie van bijwerkingen, behalve van perifere neuropathie, dat vaker voorkwam in de B-DRC-arm”, aldus Dimopoulos. Bijwerkingen van graad 3 of hoger kwamen voor bij 52 patiënten in de B-DRC-arm en 49 patiënten in de DRC-arm. In de B-DRC- en DRC-arm hadden respectievelijk veertien en 27 patiënten een ernstige bijwerking en vijf en tien patiënten een secundaire maligniteit.
Referenties
1. Buske C, et al. Semin Hematol 2023;60:73-9.
2. Buske C, et al. J Clin Oncol 2023;41:2607-16.
3. Morel P, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 223.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer
Congres Up-to-date 2026 vol 11 nummer 1
Commentaar prof. dr. Marie José Kersten, internist-hematoloog, Amsterdam UMC
De ATALANTA-1-studie, die al enige tijd open is in Nederland en België, is een fase 1/2-studie met CD19-CAR-T-celtherapie.1 Bijzonder is de gedecentraliseerde productie met een korte vein-to-vein-tijd van zeven dagen. Daardoor vallen minder patiënten uit tussen aferese en infusie. In een cohort van 26 patiënten met gerecidiveerd of refractair (R/R) mantelcellymfoom viel maar één patiënt uit vanwege snelle progressie. Na infusie vertoonde 100% van de patiënten een respons, van wie 96% een complete respons. Tot nu toe hebben vier patiënten een recidief gekregen, maar de follow-up is nog kort. Belangrijk is dat de toxiciteit beperkt is: geen graad 3-cytokinereleasesyndroom (CRS) en slechts één geval van graad 3 neurologische toxiciteit (ICANS). Dat zou te maken kunnen hebben met het fenotype van het CAR-T-celproduct, dat vooral vroege memory-T-cellen bevat. Er is geen directe vergelijking gemaakt met andere CAR-T-celproducten, maar dit lijkt een veiliger product.
In de Smart Stop-studie bij diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL) werd gestart met doelgerichte therapie, gevolgd door R-CHOP.2 Ongeveer 90% van de patiënten vertoonde een respons, van wie ongeveer 60% een complete respons. Aan het einde van de behandeling had 97% een complete respons. Preliminair werd gekeken of bij een respons op de doelgerichte therapie R-CHOP helemaal weggelaten zou kunnen worden, maar de follow-up is nog kort en deze studie was niet gerandomiseerd. Bij geselecteerde patiënten, bijvoorbeeld op geleide van circulerend tumor-DNA (ctDNA) of PET, zou het interessant kunnen zijn om eerst dit Smart-schema te geven.
In de Nederlandse HOVON-902-studie werd meetbare restziekte (MRD) bepaald met behulp van ctDNA in de eerste lijn bij patiënten met DLBCL.3,4 Aan het eind van de behandeling bleek ctDNA-MRD heel predictief te zijn, beter dan PET. Ook na cyclus 1, cyclus 4 en tijdens de follow-up was ctDNA-MRD voorspellend, en die voorspelling werd steeds sterker naarmate de tijd vorderde. Patiënten die aan het einde van de behandeling MRD-positief zijn hebben een driejaars progressievrije overleving (PFS) van slechts 11%, dus in die groep is verbetering nodig. Dat zou kunnen door eerder in de behandeling, bij onvoldoende afname van MRD, over te gaan op een andere modaliteit, zoals CAR-T-celtherapie. In de nu lopende ALPHA3-studie (NCT06500273) wordt bij patiënten die na standaard inductietherapie nog MRD-positief zijn, gerandomiseerd tussen allogene CAR-T-celtherapie of geen verdere behandeling.
In de DALY 2-EU-studie werd een dubbele CAR gebruikt, gericht tegen CD20 en CD19, met een vein-to-vein-tijd van ongeveer veertien dagen.5 Dit was een gerandomiseerde fase 2-studie bij patiënten met R/R grootcellig B-cellymfoom die niet in aanmerking kwamen voor transplantatie. R-GemOx werd gegeven in de vergelijkende arm. De effectiviteit van dit product was significant beter dan van R-GemOx, maar het is op basis van deze studie niet te zeggen of het om een beter product gaat dan bestaande CAR-T-producten zoals axi-cel en liso-cel. Wel is dit product weinig toxisch; er waren bijna geen ernstige gevallen van ICANS. Hopelijk kan dit een optie vormen in de tweede lijn voor oudere patiënten, voor wie nu geen CAR-T-celtherapie beschikbaar is in de tweede lijn.
ZUMA-25 was een basketstudie met CAR-T-celtherapie (brexu-cel) voor vier zeldzame lymfoomtypen, waaronder burkittlymfoom.6 Vanwege langzame inclusie werd de studie voortijdig gestopt. Tijdens de ASH Annual Meeting werden de resultaten van twaalf geïncludeerde patiënten met R/R burtkittlymfoom gepresenteerd. Al is de mediane follow-up kort, vier patiënten hebben een doorgaande respons, dus het lijkt de moeite waard om dit verder te onderzoeken. Helaas niet in deze studie, maar de ATALANTA-1-studie heeft ook een cohort met burkittlymfoom.
In de Europese ECWM-1-studie bij patiënten met de ziekte van Waldenström gaf toevoeging van bortezomib aan dexamethason, rituximab en cyclofosfamide (DRC) in de eerste lijn geen significante verbetering van de uitkomsten.7 Met een mediane PFS van meer dan vier jaar en tijd tot volgende behandeling van meer dan vijf jaar in de standaardarm, is DRC nog steeds een goede eerstelijnsbehandeling.
Bij patiënten met R/R folliculair lymfoom zorgde het bispecifieke antilichaam epcoritamab toegevoegd aan rituximab en lenalidomide in een gerandomiseerde fase 3-studie voor een significante verbetering van de PFS en tijd tot volgende behandeling vergeleken met rituximab en lenalidomide alleen, met een hazard ratio van 0,21 voor de PFS, de primaire uitkomstmaat.8,9 Dit is een indrukwekkend resultaat, al is de follow-up nog kort. Het percentage infecties en neutropenie was significant hoger in de experimentele arm, maar het percentage CRS viel mee.
Referenties
1. Kersten MJ, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 662.
2. Westin J, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 477.
3. Wang S, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 474.
4. Wang S, et al. J Clin Oncol 2025 Dec 12:JCO2501712.
5. Borchmann P, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 669.
6. Van Dorp S, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 569.
7. Morel P, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 223.
8. Falchi L, et al. Blood 2025;146(suppl 1): abstr 466.
9. Falchi L, et al. Lancet 2026;407:161-73.
In een podcast met dr. Jurjen Versluis bespreekt prof. dr. Marie José Kersten naast bovenstaande studies ook een studie met CAR-T-celtherapie bij centraalzenuwstelsellymfoom, behandelvoorkeuren van patiënten met Waldenström en studies met obinutuzumab en CAR-T-celtherapie bij folliculair lymfoom. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts