In Nederland krijgt één op de twee mensen ooit kanker. Maar dat gemiddelde verhult een complexere werkelijkheid, want het risico op kanker is niet overal gelijk. Zaken als woonplaats en sociaaleconomische groep bepalen het risico in aanzienlijke mate. Voormalig IKNL- en Maastro-bestuurder prof. dr. Valery Lemmens gaat onderzoek doen naar deze verschillen, in het bijzonder in Limburg, en bekleedt daarvoor de nieuwe leerstoel ‘Regio-integrale aanpak van kanker’ aan de Universiteit Maastricht. Tevens gaat hij kijken naar hoe samenwerkingsverbanden binnen de oncologie verschillen in diagnostiek en behandeling kunnen verminderen.
Wie rondkijkt op de kankeratlas van IKNL kan het niet ontgaan: de incidentie van sommige typen tumoren is in Nederland niet overal hetzelfde. De incidentie van borst- of nierkanker is bijvoorbeeld nagenoeg gelijk verdeeld over het land, maar voor long- en slokdarmkanker geldt dit niet. Deze laatste vormen van kanker komen in sommige postcodegebieden tientallen procenten vaker, of juist minder vaak voor dan de gemiddelde incidentie in Nederland.
“We zien dat de kans dat iemand met kanker wordt gediagnosticeerd niet voor alle groepen één op twee is”, vertelt Valery Lemmens. “Het risico op kanker neemt natuurlijk toe met de leeftijd, maar er is ook een invloed van de sociaaleconomische groep waartoe iemand behoort en – vaak daaraan gerelateerd – van de woonplaats. In bepaalde wijken in Maastricht, Heerlen, Kerkrade, Roermond of Venlo is het risico op longkanker tot wel 50% hoger. Ook voor andere kankersoorten zoals hoofd-halskanker en baarmoederhalskanker geldt dit. En in Limburg zijn er vanwege relatief grote sociaaleconomische verschillen, ook grote verschillen tussen regio's, zelfs tussen wijken in wat grotere steden, in wie welke vorm van kanker krijgt.”
Voor een deel zijn er goede verklaringen voor een verhoogde incidentie. Zo is het niet verrassend dat de verschillen in rookprevalentie uit het verleden bijna één op één overeenkomen met de verschillen in de incidentie van longkanker. Dat geldt zelfs op wijkniveau, weet Lemmens. Bij andere tumorsoorten zijn de oorzaken van deze verschillen echter nog onduidelijk.
Lemmens: “Opvallend is dat er in Nederland vrij grote verschillen zijn in de incidentie van slokdarmkanker, een tumorsoort die in Nederland relatief vaak voorkomt; we hebben de hoogste incidentie in de Europese Unie. Maar binnen Nederland zijn er ook duidelijke verschillen en een analyse van de twee meest voorkomende typen van slokdarmkanker liet zien dat juist in Limburg de incidentie significant lager is. Terwijl de bekende risicofactoren voor slokdarmkanker – roken, alcohol en overgewicht – minstens evenveel aanwezig zijn als in de rest van Nederland. Over de oorzaak hiervan tasten we nog in het duister, en dit ga ik nader onderzoeken.”
Politieke beslissingen
Voor het verlagen van de incidentie van kanker kunnen lokale maatregelen effectief zijn. Zo kan bijvoorbeeld het aantal verkooppunten van sigaretten, alcohol of ongezonde snacks worden verminderd. Maar andere effectieve maatregelen kunnen alleen nationaal of internationaal worden genomen. Bijvoorbeeld prijsstijgingen leiden over het algemeen tot een dalend gebruik. Lemmens: “Bij elke prijsstijging daalt de consumptie, dus dat is echt een efficiënt middel. Maar we kunnen natuurlijk niet in Limburg, alleen in die wijken waar meer longkanker voorkomt, de sigaretten duurder maken. En zelfs bij landelijke maatregelen is het voor de mensen in Limburg niet moeilijk om naar België of Duitsland te gaan.”
Maar landelijk beleid kan wel een belangrijke bijdrage leveren aan gezonder leven en het verminderen van het risico op kanker. Dat laat bijvoorbeeld de situatie in Litouwen zien, vertelt Lemmens. Daar hebben uitgebreide maatregelen zoals een beperking van de verkooptijden en een verhoging van de btw en de minimumleeftijd om alcohol te mogen kopen, geleid tot een aanzienlijke afname van het alcoholgebruik. “In Litouwen heeft men laten zien dat door een aantal politieke beslissingen het aantal mensen dat stevig drinkt enorm is gedaald.”
Lemmens: “En er zijn nog veel mensen die niet weten dat alcohol tot maar liefst acht soorten kanker kan leiden. Bij borstkanker leiden twee tot drie glaasjes per week al tot een significante toename van het risico. Daarom wil ik me ook gaan bezighouden met het verbeteren van de bewustwording van de risico’s. IKNL gaat daarover begin volgend jaar samen met onder andere KWF Kankerbestrijding en instanties zoals het Trimbos Instituut een bewustwordingscampagne opzetten waar ik mijn steentje aan bij mag dragen.”
Onderzoek naar samenwerkingsverbanden
Naast dat de incidentie van kanker per regio verschilt, verschilt ook de kankerzorg per regio. Lemmens gaat ook onderzoek doen naar of een betere samenwerking kan helpen deze verschillen in (toegang tot) kankerzorg te verminderen. Hij stelt dat landelijk gezien de verschillen in geleverde kankerzorg, bijvoorbeeld in de beschikbaarheid van systemische therapie, de afgelopen jaren kleiner zijn geworden. “Dat komt mede doordat er meer aandacht is geweest voor de kwaliteit van zorg in Nederland. Maar er zijn nog steeds verschillen. Een van de manieren om deze te verkleinen, is samenwerking.”
Lemmens: “Dat gebeurt in Zuidoost-Nederland in het OncoZON-verband. Hiervoor hebben zorginstellingen van Zuid-Limburg tot en met Eindhoven (werk)afspraken gemaakt. Dat heeft onder andere geresulteerd in de OECI-accreditatie ‘Comprehensive Cancer Center’, als eerste echt regionaal oncologisch samenwerkingsverband in Europa. Een van de zaken die ik voor mijn leerstoel ga bekijken, is of dit samenwerkingsverband heeft geleid tot bijvoorbeeld minder verschillen in behandeling, of snellere en efficiëntere doorverwijzingen. En uiteindelijk of dat heeft geleid tot betere uitkomsten voor de patiënt.”
Want verschillen in (de toegang tot) zorg zijn aan patiënten niet goed uit te leggen, stelt Lemmens. “Als het bijvoorbeeld gaat over de systemische behandeling van ouderen met kanker zien we relatief grote verschillen. Dat is te verklaren doordat aan de studies naar kankermedicijnen vooral fitte, jonge patiënten deelnamen. Daardoor gaat bij een 82-jarige patiënt de arts in het ene ziekenhuis hier anders mee om dan een arts in een ander ziekenhuis. We snappen waarom er verschillen zijn, maar een patiënt gaat ervan uit dat hij of zij wordt doorverwezen naar waar de beste behandeling voorhanden is.
Wat de best mogelijke zorg is, is dan weer moeilijk te definiëren. Daarbij gaat het niet alleen om het verlengen van het leven of de kans op curatie, maar ook om kwaliteit van leven en de wensen van de patiënt. Het gaat om passende zorg. Lemmens: “Op dat gebied zijn er heel goede initiatieven. We willen nu gaan kijken naar wat deze initiatieven en samenwerkingsafspraken hebben opgeleverd. Hiervoor zal een promovendus bijvoorbeeld gaan kijken naar waarin een regionaal oncologisch samenwerkingsverband als OncoZON verschilt van andere samenwerkingsverbanden, ook internationaal. Wat zijn de succesfactoren en wat heeft invloed op de variatie in behandeling of op betere uitkomsten? Zodat we meer leren over hoe dit soort samenwerkingen wel of juist niet vormgegeven zouden moeten worden.”
Drs. Twan van Venrooij, wetenschapsjournalist
Oncologie Up-to-date 2025 vol 16 nummer 6