Prof. dr. Ellen Kapiteijn (Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden) ziet het als haar missie om de behandeling van zeldzame tumoren te verbeteren. Per 1 oktober 2025 is ze benoemd tot hoogleraar Medische Oncologie, in het bijzonder oogmelanoom en mucosaal melanoom, aan de Universiteit Leiden. “De uitkomsten van deze typen melanoom blijven achter bij die van huidmelanoom. Die achterstand wil ik verkleinen.”
Ellen Kapiteijn constateerde dat behandelingen die bij huidmelanomen goed werken – immunotherapie en doelgerichte therapie – bij oog- en mucosale melanomen veel minder effectief zijn. “Een van de oorzaken is een verschil in het aantal tumormutaties, de tumor mutational burden. Die is bij huidmelanomen veel groter, zodat er meer aangrijpingspunten zijn voor behandelingen en de kans op respons bij immunotherapie groter is. Daarom ga ik graag de uitdaging aan om onderzoek te doen naar betere behandelingen voor oog- en mucosaal melanoom. Dit zijn zeer zeldzame tumoren met respectievelijk 200-250 en 40-60 nieuwe gevallen in Nederland per jaar. Bij oogmelanoom is er inmiddels een mooi begin gemaakt, met een aantal veelbelovende behandelingen, geregistreerd of in studieverband, maar bij mucosale melanomen moet het onderzoek eigenlijk nog beginnen.”
Oogmelanoom
Het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) is in Nederland hét expertisecentrum voor oogmelanomen, zegt Kapiteijn. “We zijn een groot verwijscentrum hiervoor. We werken mee aan nationaal en internationaal onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen. Op dit moment is het aantal behandelopties bij gemetastaseerd oogmelanoom beperkt. Er is dus sterke behoefte aan uitbreiding van het behandelarsenaal, want oogmelanoom is een aandoening met een slechte prognose. Oogmelanomen worden meestal per toeval ontdekt bij een bezoek aan een opticien of een onderzoek bij een oogarts voor een andere reden. Klachten die hierop wijzen zijn bijvoorbeeld het zien van vlekken en uitval van een deel van het gezichtsveld. De huidige behandelopties – gegeven via de oogartsen en bestralingsartsen in het LUMC – zijn bestraling met een lutetiumschildje achter het oog of protonenbestraling, en in het geval van grotere oogmelanomen is enucleatie – operatieve verwijdering van het oog – regelmatig noodzakelijk. Dat laatste klinkt best heftig, maar oogprothesen zijn zo goed dat niet te onderscheiden is welk oog is verwijderd. Het verliezen van het zicht in één oog is natuurlijk heel vervelend, maar ook patiënten die een bestraling ondergaan komen hier niet altijd zonder gevolgen uit; de bestraling kan hun gezichtsvermogen beschadigen. De prognose bij een oogmelanoom is slecht: 30% van de patiënten ontwikkelt binnen vijf jaar na ontdekking uitzaaiingen en 50% binnen vijftien jaar. Meer dan 90% van de patiënten ontwikkelt levermetastasen, vaak zonder metastasen in andere organen. Zonder behandeling leven patiënten na vaststelling van de metastasen nog gemiddeld zeven tot acht maanden.”
Onderzoek
Onderzoek naar nieuwe behandelingen was eerst vooral gericht op gemetastaseerd oogmelanoom. Inmiddels lopen er ook studies naar behandelingen gericht op het voorkómen van metastasen. Verder zijn er onderzoeken gaande naar oogsparende behandelingen bij vroeg-stadium-oogmelanoom. Kapiteijn schetst een aantal hoopvolle ontwikkelingen. “Een eerste systemische behandeling is geregistreerd voor patiënten met gemetastaseerd oogmelanoom: tebentafusp, een bispecifiek antilichaam, bestaande uit een T-celreceptor, dat zich richt op CD3 en bindt aan een GP100-peptide dat door het HLA-A*2:01-eiwit wordt gepresenteerd op het celoppervlak van oogmelanoomcellen. Zo kan het immuunsysteem effect hebben op de tumor. Een nadeel is dat deze therapie slechts voor een beperkte groep patiënten beschikbaar is; ongeveer 40% van de patiënten is HLA-A*2:01-positief.”
CHOPIN-studie
Trots is Kapiteijn op een studie die ze zelf heeft opgezet in Leiden en recent presenteerde op het ESMO-congres in Berlijn, de CHOPIN-studie.1 “Hierin vergeleken we percutane leverperfusie met ipilimumab plus nivolumab versus alleen percutane leverperfusie bij mensen met uitzaaiingen in de lever als gevolg van een al eerder behandeld primair oogmelanoom. Het objectieve responspercentage, de progressievrije overleving en de totale overleving waren in de eerste groep significant beter dan in de groep die alleen leverperfusie onderging: respectievelijk 76 versus 40%, een mediaan van 12,8 maanden versus 8,3 maanden en een mediaan van 23,1 versus 19,6 maanden. We hebben het voor elkaar gekregen om in vier jaar tijd 76 mensen te includeren. Helaas wordt de leverperfusie nog niet vergoed, ondanks een eerdere aanvraag. Hopelijk krijgen we nu vergoeding voor de perfusie en de combinatie met immunotherapie.”
Minder oogverwijderingen
Een andere veelbelovende studie die Kapiteijn signaleerde op het ESMO-congres was een fase 2-studie van Butler et al. naar neoadjuvant darovasertib – een selectieve proteïnekinase C-remmer – bij patiënten met primair oogmelanoom.2 “Deze toonde dat darovasertib bij 50% van de patiënten leidde tot een afname van de tumor in het oog met minimaal 20%. Daardoor hoefde bij 60,5% minder patiënten het oog te worden verwijderd. In deze studie waren vooral patiënten geïncludeerd met grotere oogmelanomen, die vaak leiden tot een volledige verwijdering van het oog. Binnenkort gaat er een fase 3-studie van start naar darovasertib. Daarin wordt de huidige behandeling – oogverwijdering of bestraling – vergeleken met neoadjuvante behandeling met dit nieuwe middel, gevolgd door lokale behandeling.”
Verder onderzoek
Kapiteijn wil zich sterk maken voor nog meer onderzoek naar betere behandelopties bij oogmelanoom. “Ik denk aan onderzoek naar tumor-infiltrerende lymfocyten en ook naar het voorkómen van metastasen bij oogmelanoom. Bijvoorbeeld behandeling in de neoadjuvante setting of adjuvante behandeling met het al genoemde tebentafusp. Voor de adjuvante setting loopt er al een studie naar tebentafusp versus observatie. Dat laatste is dan zoals gezegd alleen mogelijk bij patiënten die HLA-A*2:01-positief zijn. Verder wil ik uitzoeken of bij patiënten die HLA-A*2:01-negatief zijn een adjuvante leverperfusie uitzaaiingen kan voorkomen. Tot slot hoop ik dat het in de toekomst beter gaat lukken om te voorspellen welke patiënten met een hoog-risico-oogmelanoom metastasen gaan ontwikkelen. Bijvoorbeeld door screening met MRI na de diagnose van het primaire oogmelanoom of met het bepalen van circulerend tumor-DNA.”
Mucosaal melanoom
Voor mucosaal melanoom wil Kapiteijn eveneens onderzoek gaan opzetten. “Mucosale tumoren bevinden zich bijvoorbeeld op de slijmvliezen van het hoofd-halsgebied, in het gynaecologisch gebied, in het rectum of in de blaas. Deze tumoren worden meestal laat ontdekt en de chirurgische behandeling kan tot grote morbiditeit leiden. Verwijdering van bijvoorbeeld het vaginaslijmvlies of slijmvliezen van de sinussen of de keel is voor patiënten heel ingrijpend. Graag zou ik middelen voor de neoadjuvante setting willen onderzoeken, om dergelijke operaties zoveel mogelijk te voorkomen. Dit is een uitdaging, omdat de farmaceutische industrie weinig belangstelling heeft om trials voor zeldzame tumoren op te zetten. cKIT-remmers zoals imatinib en nilotinib lijken kortdurend effect te hebben bij KIT-gemuteerd mucosaal melanoom en neoadjuvant ipilimumab + nivolumab lijkt ook enigszins effectief, maar niet in die mate als bij huidmelanoom. Kortom, er is hier nog een weg te gaan en ik hoop met mijn leerstoel ook bij te dragen aan onderzoek naar nieuwe behandelopties voor mucosaal melanoom.”
Referenties
1. Kapiteijn E, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA59.
2. Butler MO, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstract 1602O.
Drs. Marc de Leeuw, wetenschapsjournalist
Oncologie Up-to-date 2025 vol 16 nummer 6