Palbociclib toegevoegd aan adjuvante endocriene therapie zorgt niet voor een betere invasieve-ziektevrije of algehele overleving bij patiënten met hoog-risico vroege borstkanker. Patiënten die adjuvant palbociclib plus endocriene therapie kregen, kregen post-recidief minder vaak CDK4/6-remmers als eerstvolgende behandeling dan degenen die adjuvant alleen endocriene therapie kregen. Dat blijkt uit de zevenjaarsupdate van de PALLAS-studie, die dr. Angela DeMichele (Philadelphia, Verenigde Staten) presenteerde tijdens de SABCS 2025.
De CDK4/6-remmers abemaciclib en ribociclib zijn goedgekeurde opties in de adjuvante setting voor patiënten met hormoonreceptor-positieve, HER2-negatieve (HR+/HER2-), vroege borstkanker en een hoog risico op recidieven. CDK4/6-remmers zijn echter ook standaardopties in de gemetastaseerde setting, zodat de vraag rijst of deze middelen na adjuvante blootstelling opnieuw kunnen worden gebruikt.
In de internationale fase 3-PALLAS-studie werd gekeken naar het effect van twee jaar palbociclib toegevoegd aan adjuvante endocriene therapie (ET/P) ten opzichte van alleen endrocriene therapie (ET) bij patiënten met stadium II/III, HR+/HER2- borstkanker. “Bij de primaire analyse werd geen voordeel gezien op de invasieve-ziektevrije overleving (iDFS)”, zei Angela DeMichele.1 De resultaten na vijf jaar werden recentelijk gepubliceerd, ze presenteerde nu de resultaten na een mediane follow-up van 82,7 maanden.2,3
Geen verschil in uitkomsten
“Na vijf en zeven jaar follow-up is er voor geen van de uitkomstmaten een significant voordeel van palbociclib”, meldde DeMichele. Na zeven jaar was de iDFS 79,2% met ET/P versus 76,9% met ET, de afstandsrecidiefvrije overleving was 82,9% versus 81,3% en de algehele overleving (OS) was 89,0% versus 88,3%. In de ET/P-groep traden 377 afstandsrecidieven op versus 404 in de ET-groep. Afstandsrecidieven ontwikkelden zich in de ET/P-groep vaker als eerste visceraal (46% versus 36% met ET) en minder vaak alleen in de botten (38% versus 45%).
Post-recidiefbehandeling
Patiënten in de ET/P-groep kregen in de gemetastaseerde setting als eerstvolgende behandeling minder vaak CDK4/6-remmers (41% versus 66% in de ET-groep) of ET (59% versus 69%) en vaker chemotherapie (51% versus 45%). “Patiënten in de ET/P-groep hadden de helft minder kans om in de gemetastaseerde setting behandeld te worden met een CDK4/6-remmer, na correctie voor geografische regio, locatie van afstandsrecidief, afstandsziektevrij interval en leeftijd.”
De mediane post-recidief-OS was 22,6 maanden in de ET/P-groep en 27,9 maanden in de ET-groep (HR 1,21; p=0,04). “Na correctie voor klinische factoren en post-recidiefbehandeling was er echter geen significant OS-verschil meer (HR 1,05; p=0,64)”, benadrukte DeMichele. “De relatief korte mediane post-recidief-OS zou te maken kunnen hebben met de studiepopulatie of onderliggende biologie van de metastasen.”
Het is niet duidelijk waarom patiënten die in de adjuvante setting palbociclib kregen minder vaak CDK4/6-remmers kregen in de gemetastaseerde setting, maar dit zou te maken kunnen hebben met toegang tot de medicijnen of zorgen over resistentie. “Deze resultaten laten het belang zien van een gedetailleerde langetermijnfollow-up en analyse van de post-recidiefoverleving in studies met adjuvante CDK4/6-remming.”
Referenties
1. Mayer EL, et al. Lancet Oncol 2021;22:212-22.
2. Mayer EL, et al. Ann Oncol 2025. DOI: 10.1016/j.annonc.2025.10.003.
3. DeMichele A, et al. SABCS 2025; abstr RF7-07.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist