De BOOG 2013-08-studie laat zien dat wat betreft de regionaal-recidiefvrije overleving het achterwege laten van de schildwachtklierprocedure bij patiënten met een cT1-2N0-tumor die een borstsparende operatie ondergaan, niet inferieur is aan het wel uitvoeren van die procedure. Bij patiënten ouder dan 50 jaar met HR-positieve/HER2-negatieve T1-borstkanker van graad 1 of 2 zou, in lijn met de SOUND- en INSEMA-aanbeveling, de schildwachtklierprocedure veilig achterwege gelaten kunnen worden, zei prof. dr. Marjolein Smidt (oncologisch chirurg, Maastricht UMC+) in haar presentatie tijdens de SABCS 2025.
Bij patiënten met cN0-borstkanker is eerdere chirurgische de-escalatie van een okselklierdissectie naar een schildwachtklierprocedure (SLNB) oncologisch veilig gebleken, begon Marjolein Smidt. “Daarbij zien we dat de schildwachtklier sowieso al vaak negatief is bij patiënten met een cT1-2N0-tumor. Onze hypothese was dan ook dat het achterwege laten van de SLNB bij patiënten met een cT1-2N0-tumor die behandeld worden met borstsparende chirurgie en bestraling van de gehele borst veilig kan en wat betreft de regionaal-recidiefvrije overleving (RRFS) non-inferieur is aan wel uitvoeren van een SLNB.” Deze hypothese is onderzocht in de BOOG 2013-08-studie.1
Negatieve schildwachtklier bij 86,3%
In de studie werden vrouwen geïncludeerd van 18 jaar en ouder met unilaterale cT1-2N0-borstkanker die in aanmerking kwamen en kozen voor een borstsparende operatie met bestraling van de volledige borst. In totaal werden 1.733 patiënten gerandomiseerd naar het wel (n=748) of niet ondergaan van een SLNB (n=824). Smidt: “Patiënten kregen adjuvante systemische therapie als dit geïndiceerd was en neoadjuvante therapie was geen exclusiecriterium.” Van de gerandomiseerde patiënten had iets meer dan 80% een T1-tumor, was iets meer dan 80% graad 1 of 2 en was meer dan 85% HR-positief/HER2-negatief. 52% van de patiënten ontving geen adjuvante systemische therapie. “De pathologie-uitslagen toonden bij 86,3% van de patiënten in de SLNB-groep een negatieve schildwachtklier”, zei Smidt.
Non-inferioriteitsmarge niet overschreden
Na een mediane follow-up van vijf jaar was de vijfjaars-RRFS (de primaire uitkomstmaat) 96,6% in de SLNB-groep en 94,2% in de groep die geen SLNB kreeg. “Dit gaf een absoluut verschil van 2,4% (95% BI 0,06-4,72), waarmee de non-inferioriteitsmarge van 5% niet werd overschreden”, zei Smidt. De afstandsziektevrije overleving (DDFS) was 96,0% in de SLNB-groep en 92,9% in de groep die geen SLNB onderging, een absoluut verschil van 3,1%. Smidt: “Op basis van de resultaten van de eerdere SOUND- en INSEMA-studies was een advies geformuleerd om de SLNB achterwege te laten bij patiënten ouder dan 50 jaar met een HR-positieve/HER2-negatieve cT1, graad 1-2-tumor .2,3 Als we deze selectie toepassen op de BOOG 2013-08-studiepopulatie (n=949), zien we dat de percentages voor lokaal recidief, regionaal recidief, contralaterale borstkanker, afstandsmetastasen en overlijden overeenkomen tussen de drie studies.”
Smidt concludeerde dat de RRFS bij patiënten met cT1-2N0-borstkanker die geen SLNB ondergingen, non-inferieur is aan de RRFS van patiënten die wel een SLNB kregen. “Voor patiënten ouder dan 50 met een HR-positieve/HER2-negatieve cT1-tumor van graad 1 of 2 zou de SLNB veilig achterwege gelaten kunnen worden. Of dit ook geldt voor de totale studiepopulatie, moeten we nagaan als de data meer matuur zijn”, aldus Smidt.
Referenties
1. Smidt M, et al. SABCS 2025; abstr GS2-11.
2. Gentilini O, et al. JAMA Oncol 2023;9:1557-64.
3. Reimer T, et al. N Engl J Med 2025;392:1051-64.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2026 vol 11 nummer 1