Aanvullende analyses van de DESTINY-Breast05-studie bevestigen het klinisch voordeel van trastuzumab deruxtecan versus trastuzumab emtansine bij patiënten met HER2-positieve, vroege borstkanker en invasieve restziekte na neoadjuvante therapie, en tonen een hanteerbaar veiligheidsprofiel, ook in combinatie met radiotherapie. “Deze resultaten ondersteunen het gebruik van trastuzumab deruxtecan als potentiële nieuwe standaardbehandeling”, aldus prof. dr. Sibylle Loibl (Frankfurt, Duitsland), die deze resultaten presenteerde tijdens de SABCS 2025.
Behandeling met trastuzumab emtansine (T-DM1) verbeterde de uitkomsten van patiënten met HER2-positieve, vroege borstkanker (HER2+ eBC) en invasieve restziekte na neoadjuvante therapie. Sommige hoog-risicosubgroepen hadden echter minder voordeel bij deze behandeling. In de DESTINY-Breast05-studie resulteerde behandeling met trastuzumab deruxtecan (T-DXd) in een significante en klinisch relevante verbetering van de invasieve-ziektevrije overleving (iDFS) en ziektevrije overleving (DFS) ten opzichte van T-DM1 bij patiënten met HER2+ eBC en restziekte na neoadjuvante therapie (HR 0,47; p<0,0001), inclusief de subgroepen die minder voordeel hebben van T-DM1.1 Sibylle Loibl presenteerde nu aanvullende gegevens over de effectiviteit bij specifieke subgroepen en de veiligheid.2
Voordeel onafhankelijk van type neoadjuvante therapie
In de fase 3-DESTINY-Breast05-studie werden 1.600 patiënten met hoog-risico, HER2+ eBC en invasieve restziekte na neoadjuvante therapie gerandomiseerd tussen T-DXd (5,4 mg/kg, veertien cycli) of T-DM1 (3,6 mg/kg, veertien cycli). Eventueel kon radiotherapie gegeven worden voorafgaand aan de start van de studie of gelijktijdig met de studietherapie. De primaire uitkomstmaat was de iDFS.
“Een iDFS-voordeel van T-DXd versus T-DM1 werd gezien bij alle patiënten, onafhankelijk van het type neoadjuvante chemotherapie dat ze hadden gekregen”, zei Loibl. Bij patiënten die behandeld waren met antracyclines was de driejaars-iDFS 90,6% met T-DXd versus 80,3% met T-DM1, en bij patiënten die behandeld waren met platinahoudende chemotherapie was de driejaars-iDFS respectievelijk 93,9% versus 87,3%. Het iDFS-voordeel van T-DXd was ook onafhankelijk van de HER2-status (IHC3+ of IHC 2+/1+ en ISH+).
Interstitiële longziekte en bestralingspneumonitis
De timing van adjuvante radiotherapie had in beide armen geen effect op de incidentie of ernst van behandelingsgerelateerde interstitiële longziekte (ILD). “De meeste patiënten met ILD waren al hersteld of herstellende bij de data-cutoff”, zei Loibl.
Bestralingspneumonitis kwam in beide armen bij ongeveer een derde van de patiënten voor, maar was alleen van graad 1-2. Ook van deze bijwerking waren de meeste patiënten bij de data-cutoff al hersteld of herstellende. Bij patiënten in de T-DXd-arm die radiotherapie kregen voorafgaand aan de studietherapie duurde het langer voordat bestralingspneumonitis ontstond, maar duurde het herstel ook langer dan bij degenen die radiotherapie kregen tijdens de studie.
“ILD en bestralingspneumonitis waren goed te managen met de richtlijnen beschreven in het studieprotocol. Over het algemeen liet T-DXd een hanteerbaar veiligheidsprofiel zien in combinatie met sequentiële of gelijktijdige radiotherapie”, aldus Loibl.
De resultaten van de DESTINY-Breast05-studie werden gelijktijdig met de SABCS 2025 gepubliceerd in The New England Journal of Medicine.3
Referenties
1. Geyer Jr. CE, et al. Ann Oncol 2025;36(suppl_2): abstr LBA1.
2. Loibl S, et al. SABCS 2025: abstr RF6-01.
3. Loibl S, et al. N Engl J Med. 2025: DOI: 10.1056/NEJMoa2514661.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2026 vol 11 nummer 1
Commentaar prof. dr. Vivianne Tjan-Heijnen, medisch oncoloog, Maastricht UMC+, en prof. dr. Sabine Linn, internist-oncoloog, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam
Wat waren tijdens de SABCS belangrijke studies naar behandelopties voor HER2-positieve borstkanker? Allereerst de HER2CLIMB-05-studie.1 In deze studie is onderzocht of de onderhoudsbehandeling na vier tot acht kuren taxaan met trastuzumab en pertuzumab verbeterd kon worden. Patiënten met niet eerder behandelde, HER2-positieve, gemetastaseerde borstkanker werden gerandomiseerd naar een onderhoudsbehandeling met trastuzumab en pertuzumab plus placebo of plus tucatinib. Ongeveer de helft van de tumoren was hormoonreceptor (HR)-positief. De primaire uitkomstmaat was de progressievrije overleving (PFS). In de controlegroep bedroeg de mediane PFS 16 maanden, tegenover 25 maanden in de groep die tucatinib ontving; een indrukwekkend verschil van negen maanden (HR 0,64). Bij patiënten met een HR-negatieve tumor was de PFS-winst zelfs ongeveer twaalf maanden in het voordeel van tucatinib (HR 0,55), terwijl deze winst bij patiënten met een HR-positieve tumor bijna zeven maanden bedroeg (HR 0,72). De resultaten wat betreft de algehele overleving (OS) waren nog immatuur, maar er werden 33 OS-events gerapporteerd in de controlegroep versus 18 in de tucatinibgroep. Dat is veelbelovend en wijst op een mogelijk OS-voordeel van tucatinib. Al met al lijkt tucatinib een interessante toevoeging in de onderhoudsfase, met name voor patiënten met een HR-negatieve tumor. Deze studie benadrukt bovendien dat we binnen de groep HER2-positieve tumoren verder moeten differentiëren tussen HR-positieve en HR-negatieve ziekte.
In zowel de neoadjuvante als adjuvante setting bij HER2-positieve tumoren werden er studies gepresenteerd met trastuzumab deruxtecan (T-DXd). Bij het inzetten van T-DXd zijn voor beide settings kanttekeningen te plaatsen. Zo worden in de adjuvante setting meer kuren T-DXd gegeven, wat gepaard gaat met een hoger risico op pneumonitis. In de neoadjuvante setting worden weliswaar minder kuren gegeven, maar zouden alle patiënten behandeld moeten worden met T-DXd, wat betekent dat het om een grotere patiëntengroep gaat. In de DESTINY-Breast05-studie werd T-DXd onderzocht versus trastuzumab emtansine (T-DM1) in de adjuvante setting.2 Bij patiënten die eerder platinabevattende chemotherapie hadden gehad, liet deze studie na drie jaar een absolute verbetering van de invasieve-ziektevrije overleving (iDFS) zien van 5% in het voordeel van T-DXd. Bij patiënten die eerder met antracyclines behandeld waren, was de absolute toename in driejaars-iDFS zelfs 10%. Dit zijn hoopvolle bevindingen, al moeten de OS-resultaten nog afgewacht worden. Het ligt voor de hand dat T-DXd de komende jaren een plek zal krijgen bij vroeg-stadiumborstkanker. Daarmee nemen de keuzemogelijkheden in deze setting toe en wordt het steeds belangrijker om goed te bepalen welk middel wanneer ingezet moet worden en welke patiënten daadwerkelijk T-DXd nodig hebben.
Een mogelijke manier om patiënten verder te differentiëren is op basis van tumorinfiltrerende lymfocyten (TIL’s). In een analyse binnen de APHINITY-studie is onderzocht of bepaling van het aantal TIL’s in het operatiepreparaat kan helpen bij het identificeren van patiënten die baat hebben bij pertuzumab, en of dit aantal TIL’s iets zegt over de prognose.3 In deze studie, die al geruime tijd geleden is opgezet, werden meer dan 4.000 patiënten na chirurgie gerandomiseerd tussen chemotherapie en trastuzumab met of zonder pertuzumab. De initiële resultaten waren destijds wat teleurstellend, waardoor pertuzumab in Nederland alleen beschikbaar kwam in de neoadjuvante setting.4 In de huidige analyse werden handmatige, digitale en AI-gebaseerde methoden voor TIL-kwantificatie met elkaar vergeleken.3 De eerste vraag was hoe goed de concordantie tussen deze methoden was. Die bleek goed wanneer een afkapwaarde van 60% TIL’s werd gehanteerd. Vervolgens werd gekeken of een TIL-score van ≥60% prognostisch gunstig was, wat voor alle drie de methoden inderdaad het geval bleek. Patiënten met een hoge TIL-score én de aanwezigheid van zogenoemde immune hotspots hadden de beste prognose: na vijf jaar was de adjuvante behandeling met chemotherapie, trastuzumab en pertuzumab bij hen geassocieerd met een iDFS van 97,2%. Daarnaast bleek dat de groep met een hoge TIL-score baat had bij de toevoeging van pertuzumab. Ook deze analyse laat zien dat we steeds vaker moeten nadenken over de vraag: wie heeft wat nodig? Moeten we pertuzumab bij iedere patiënt inzetten? Dat maakt congressen zoals de SABCS zo waardevol. Ze leiden niet altijd tot directe veranderingen in de klinische praktijk, maar dragen wel bij aan een steeds beter begrip van de ziekte. Wat we nu al wél kunnen doen, is onze pathologen vragen om standaard TIL’s te bepalen. Deze kunnen een belangrijke rol spelen bij het afwegen of een patiënt mild of juist intensiever behandeld moet worden.
Referenties
1. Hamilton E, et al. SABCS 2025; abstr GS1-01.
2. Loibl S, et al. SABCS 2025; abstr RF6-01.
3. Salgado R, et al. SABCS 2025; abstr GS1-05.
4. Von Minckwitz G, et al. N Engl J Med 2017;377:122-31.
In een podcast bespreken prof. dr. Vivianne Tjan-Heijnen en prof. dr. Sabine Linn naast bovenstaande studies ook de DETECT V-studie. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts