Bij HR-positieve/HER2-positieve, gemetastaseerde borstkanker geeft duale HER2-therapie plus endocriene therapie zónder chemotherapie minder toxiciteit dan een regime met chemotherapie, zonder in te boeten aan overleving. Dit blijkt uit de fase 3-DETECT V-studie, waarvan prof. dr. Wolfgang Janni (Ulm, Duitsland) de definitieve resultaten presenteerde tijdens de SABCS 2025. “De toevoeging van ribociclib aan endocriene therapie leek wel te leiden tot een verbetering van de overleving.”
De standaard eerstelijnsbehandeling voor HER2-positieve, gemetastaseerde borstkanker is chemotherapie in combinatie met duale HER2-therapie, begon Wolfgang Janni. In de gerandomiseerde fase 3-DETECT V-studie is onderzocht of een minder toxisch regime van duale HER2-therapie plus endocriene therapie zonder chemotherapie een waardevolle behandeloptie is.
PATINA-studie
In deze studie werden 270 patiënten met HR-positieve/HER2-positieve, gemetastaseerde borstkanker (in eerste, tweede of derde behandellijn) gerandomiseerd naar trastuzumab + pertuzumab plus endocriene therapie of chemotherapie plus trastuzumab + pertuzumab, gevolgd door onderhoudstherapie met trastuzumab + pertuzumab en endocriene therapie.1 De primaire uitkomstmaat was de modified adverse event (AE)-score. Hierin werden alle bijwerkingen van graad 3 of hoger meegenomen, afgezien van neutropenie (dat werd meegenomen vanaf graad 4 of hoger) en alopecia, huiduitslag, perifere neuropathie en hand-voetsyndroom (die werden meegenomen vanaf graad 2 of hoger). Belangrijke secundaire uitkomstmaten waren de progressievrije en algehele overleving (PFS en OS).
“Na inclusie van 124 patiënten is het studieprotocol aangepast”, zei Janni. “Op basis van de positieve resultaten van de PATINA-studie, waarin na chemotherapie een CDK4/6-remmer is toegevoegd aan de eerstelijnsbehandeling met HER2-gerichte therapie en endocriene therapie, werd besloten de patiënten in beide cohorten van de DETECT V ook te behandelen met ribociclib.”
Primaire uitkomstmaat behaald
De analyse voor de modified AE-score liet zien dat significant minder patiënten de vooraf gespecificeerde bijwerkingen rapporteerden met het regime zonder chemotherapie (52,3 versus 76,9%). “De primaire uitkomstmaat van de studie was hiermee behaald”, aldus Janni. “De extra toxiciteit bij de behandeling met chemotherapie bestond met name uit diarree, vermoeidheid, misselijkheid, neuropathie en mucositis. Neutropenie van graad 3 of hoger kwam meer voor in de chemotherapievrije groep, waarschijnlijk door het langere gebruik van ribociclib.” De finale analyse van de overlevingsresultaten liet geen verschil in PFS en OS zien tussen beide studiegroepen.
Significant betere PFS en OS
Ook is gekeken naar de resultaten van de cohorten die behandeld waren met en zonder ribociclib. “Het is hierbij belangrijk te realiseren dat dit geen gerandomiseerde vergelijking betreft, maar een vergelijking tussen twee elkaar opvolgende cohorten”, benadrukte Janni. De analyse van de modified AE-score liet een numerieke, maar geen significante, toename zien van het aantal patiënten dat de vooraf gespecificeerde bijwerkingen rapporteerde, van 59,2% zonder ribociclib naar 69,0% met ribociclib. De extra toxiciteit bestond met name uit diarree, neutropenie en verhoogde leverenzymwaarden. De PFS en OS waren significant beter in het ribociclibcohort, met een HR van 0,48 voor PFS (95% BI 0,34-0,67) en een HR van 0,43 voor OS (95% BI 0,26-0,72). Janni: “Uit een multivariabele analyse bleek tevens dat zowel het PFS- als het OS-voordeel toegeschreven kon worden aan ribociclib en niet aan chemotherapie.”
Hij concludeerde dat een chemotherapievrij regime een effectieve behandeloptie kan zijn voor patiënten met HR-positieve/HER2-positieve, gemetastaseerde borstkanker, waarbij het toevoegen van ribociclib de overleving verder kan verbeteren.
Referentie
1. Janni W, et al. SABCS 2025; abstr RF4-02.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2026 vol 11 nummer 1